LOURENS JANSZOON KOSTER (1823)

A.C.W. Staring

''Saeculo festas referente luces
------------------ Carmen.''

       Het Io klonk uit Haarlems muur!
Na honderd jaren keerde op nieuw het plegtig uur!
     Viert "wat geen Jeugd weer ziet; geen Grijsheid zag;"
         Viert KOSTERS Jubeldag.

       Ja komt uit aller Volken naam,
Gij Feestgezanten! Vloeit tot Haarlems Eeuwtij saam!
      Dat Grieken lof den Eersten Kadmus loon';
         Heel de Aard' den Tweeden kroon'!

      Het zwerk ontsloot zich, waar hij stond,
Wiens hand de Boekstaaf van den Beukenstam ontbond.
     Een hemelglans omscheen de looverkruin,
        En trof het siddrend duin.

      Zòò werd dat heerlijk Licht voorspeld,
Dat stralen zou' van 't Werk des Vinders; dat geweld,
     Noch list zou' dooven! trots der eeuwen vloed,
         Een onuitblusbre gloed.

      Dat Licht! het ruim der waereld door,
Naar 's Hoogsten wil verbreid, om, als de Morgengloor,
     Elks vreugde; niet, als schaamle Nachtlampschijn,
          Eens enklen heul te zijn.

      Zòò kwam Gods Geest op Hem, die 't Schrift
Met scheidbre teekens prentte, en 't ruwe Letterstift
     Ten erve aan Mentz iet: Haarlems roemgenoot .....
         Benijdster .... en min groot.

      O Wetenschap! bij 't Voorgeslacht
Grgriffeld in Paneel; met trage vederschacht,
     Door Kloostervolk aan 't Pergament betrouwd;
         Slechts veil voor Koningsgoud!

      O Wetenschap! nu daalt gij zelfs
Tot arme slaven, in het diep een mijngewelfs.
     O Wijsheid! o Vernuft! waar schuilt het oord,
         Dat nog uw stem niet hoort?

      Hoe zonk vergeetle nacht weleer
Gelijk op 's Meesters naam, zoo op zijn arbeid neer!
     Wat viel er bloeis, die hoop op vruchten gaf,
         Voor 't smachtend Menschdom af!

      't Verloor den Pijl van Abaris:
Het Luchtschip, welks bestuur der tijden raadsel is;
     Het spieglend Erts, dat op Marcellus vloot
           Zijn bliksems nederschoot.

       Vraag de Oudheid af: vanwaar de Naald,
Gids van den Scheepling, als gestarnte en oever faalt?
     De Citer, die de taal der englen spreekt,
           En ijzren harten breekt?

       Vanwaar zijn zij? Wiens vindingskracht
Heeft Spade en Kouter, heeft den Weefstoel uitgedacht?
     Het antwoord faalt! Zij werden vòòr den dag,
           Die KOSTER wòrden zag.

       Vuur sloopte, en Zee, en Krijgsgeweld,
Wat Priem of Schrijfriet van hun oorsprong had gemeld,
      Eer de eedle Kunst door Haarlem was gebaard,
           "Die de andre saam bewaart."

       Thans BLIJFT wat is! Thans welkt geen lof!
Thans sterft geen daad meer, binnen hut noch vorstenhof!
      De Zigbre Spraak voert ze om langs 't wijde rond,
           En zwijgt ter geener stond.

       Het heilig snoer der Kennis bindt,
Wat afgrond scheidde en berg: 't Oost, met het West bevrind,
      Staat kampend tegen Leugens dwinglandij,
          En strijdt de Waarheid vrij.

       Dat heil heeft KOSTER voorbereidt!
Hij schreef een grens om 't rijk van drieste Onwetendheid;
      Toen 't Kruis van Konstantijn moet ondergaan,
          Voor Mekka's Halve Maan.

       Hij wiens Gedachtniszuil dit Oord;
't Geschenk van wiens Vernuft den Aardkreits toebehoort.
      Wiens Geest, omhoog, zich in zijn werk verheugt,
          Bij onze Jubelvreugd.

       Komt! Schaart dan, Feestgezanten - schaart
U mèt ons binnen 't Koor, waar LOURENS blik op staart!
      Hier schuilt geen wrok! Hier spreidt ook GIJ wu glans,
Gij EEREKROON VAN MENTZ, naast KONINGS BURGERKRANS.

Aantekening.
Over L. Jz. Coster
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.