OP HET GEZIGT VAN TREKKENDE KRAANVOGELS

A.C.W. Staring

(De trant van Cats gevolgd.)
Laatst, als ik, op mijn eenzaam pad,
Door Wijnmaands bleeke loovers trad,
Zoo kwam van ver een vreemd gerucht;
Zoo kwam een lange Kranenvlugt,
En hield naar 't wijkend avendlicht
Het spitse van heur schaar gerigt.

Ontging ze 't volgend oog weldra,
Zij liet me een diep gepeinzen na.
Ik dacht: wat hier omlaag geschiedt,
Des kreunt zich ginds de Vogel niet.
Of bergen siddren op hun voet,
Door 't worstlen van den sulfergloed;
Of stroomen steigren uit hun boord;
De Vogel zweeft gelaten voort.

Hem trekt zijn doel, naar 't eind der baan,
Door 't vredig zwerk staag westwaart aan.
Hoe lang zijn togt ook duren mag,
Hij roert de vleugels dag aan daag;
Hij vult de lucht met blij geschal,
Gedenkend waar hij rusten zal!

Mijn ziel, raap wijsheid aan dit werk:
Streef hoger dan dit aardsche perk.
Of, hier beneen, de waereld woel',
Bijf gij gedachtig aan uw doel!
Staar, vrolijk juichend, naar de Kust,
Waar aller Zorgen woeling rust;
Waar Smarte knaagt, noch Twistvuur brandt,
Noch Zinbekoring strikken spant!
Mijn Ziel - daar is uw Vaderland

1818.


Aantekening.
Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina