Na eene zware Krankte

A.C.W. Staring
   Daar stond op een teedre Bloem,
   Van God op aard' geplant,
Om tot zijne eer te bloeijen.
   De vruchtbre morgendaauw
   Droop mildlijk op haar neer,
En deed haar welig groeijen.

   De wandlaar, die haar zag;
   Die hare scheuten zag;
Gaf dikmaal haar zijn zegen:
   "Groei" sprak hij "Bloemtjen groe'
   Voor zeis en storm bevrijd;
Gedrenkt met milden regen."

   Doch ijlings kwam een bui
   In 't huilend noorden op,
Met schrikbaar ijs geladen;
   De losgebarsten wolk
   Hing donker boven haar,
En kletterde op heur bladen.

   Hier viel het jeugdig loof,
   Van haar gebogen steng
Wreedaardig afgereten!
   Daar lag haar groene knop,
   Die vrolijk zich verhief,
In 't stuivend zand gesmeten!

   Maar Hij, die 't waakzaam oog
   Op haar verdelging hield,
Gebood den storm te wijken;
   De blijde zon kwam weer;
   Zij stond, gelijk voorheen,
Met loof en knop te prijken.

   Nu stijge dankbre geur
   Uit haren kelk omhoog,
Om Gode roem te geven!
   Het zwerk toog saam; 't werd nacht!
   Der bergen ceder viel!
Een bloemtjen heild het leven!

1785.

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.