A.C.W. Staring

Lenora

    Gij eischt een zang, getrouwe Kring,
Die, aan mijn haard gezeten,
    De vrijheid met een landman deelt;
De steezorg wilt vergeten.

    Hoor toe! Hier aan dit vredig oord,
In deze zelfde muren,
    Zag woester eeuw Lenora's jeugd
Te fel een storm verduren.

    Lenora, Hermans liefde ontscheurd,
Aan 't sterfbed van een Moeder,
    Werd Zweders min ten prooi geslagt,
En vond, als wees, geen hoeder:

    Geen hoeder in dien bruidegom,
Uit kindschen pligt ontvangen;
    Geen stijder voor haar maagdenkroon,
Ten kampprijs opgehangen.

    Waar toeft gij, Zweder? Snood geweld
Begrimt Lenora's wallen:
    De voorburg viel voor Diebalds magt;
De burg kan morgen vallen.

    Schiet toe! Verhul dat glanzig blond;
Die gladgescheelde lokken!
    De helmveer past bij 't manlijk zwaard;
Uw pronk bij 't weerloos rokken!

    Vergeet uw Bruid! Zij reikt voor 't eerst
Een hand, door dwang verkregen,
    Zij reikt ze, in 't prangen van den nood,
Haar helper willig tegen.

    Ai zie haar, hoe ze, in angst en nacht,
Van steile torentransen,
    Den blik op 't zilvren heivlak hecht,
Waarin uw schild moest glansen!

    Zie, zie, ten veegen slotwal uit,
De noodmijt vonklend smoken!
    Eilaas, slechts Diebald merkt de leus;
Zij is voor hem ontstoken.

    'Op' roept hij ''t geldt de Burgheerin!
Wien kan de prijs behagen?
    Zij wacht, het oog op hulp gerigt;
De Vrees om 't hart geslagen.

    Op, wakkre jeugd! Met heldenwerk
Den frisschen dag begonnen!
    Die Zweders echtring meester wordt,
Heeft Zweders Bruid gewonnen!'

    Zoo roept hij, wijl de dageraad
Aan Barchems hoogten flonkert,
    En voert zijn schaar den slotweg op,
Door grijs geboomt verdonkerd.

    Hij dringt, spijt flits en bouten, door;
En huwt beleid aan krachten;
    Een woud aan rijzers baant zijn pad,
En dempt het naauw der grachten.

    Thans helpt geen verre steenworp meer,
Uit hooggeplanten slingers:
    't Verengde perk eischt worstelstrijd,
Van weerders en bespringers.

    Er volgt een wilder krijgsgerucht;
Nu schild aan schilden klettert;
    De helbaard op kurassen treft;
De heerknots helmen plettert.

    Gewoel, verwarring wijd en zijd!
Hier geldt het logge deuren,
    Met moker en rammei gebeukt,
Dat harre en posten scheuren;

    Ginds tast een stormleer wagglend om,
Langs digtbezette tinnen;
    Daar poogt zij, ijlings opgerigt,
Een weerloos ruim te winnen!

    Geen nood! Laat vrij oneedle togt
Zijn Vijands moed verhoogen;
    De Burgtling heeft het schuttend zwaard
Voor de Onschuld uitgetogen!

    Een dankwoord uit dien schoonen mond,
Die nimmer sprak dan zegen;
    Een toelach van Lenora's oog,
Als trouwheidsloon, verkregen;

    Dit sterkt zijn hart, in dood en strijd!
Laat vrij de poorten kraken;
    De brandpijl, talloos aangesnord,
Het steile dak doen blaken;

    Geen nood! tot eensklaps wanhoop heerscht,
En aller knieeën trillen;
    En aller arm, door angst verlamd,
Geen wapen meer kan tillen!

    Van daar, waar, tegen 't rijzend veld,
De voorburg schijnt te leunen,
    Laat onweerstaanbaar oorlogstuig
Zijn groven donder dreunen!

    Een ijzer komt den hollen tromp,
Door sulfer uitgeschoten;
    Botst neer, en springt, en sist in 't bloed,
Aan 't slotgordijn vergoten!F

    De Jonkvrouw zwijmt! Maar hoe? de schrik
Viel mee in 's Vijands rangen!
    De bleekheid van Lenora's wang
Ontverwt ook Diebalds wangen!

    Wat spelt dit? Onschulds zegepraal!
Verderf op 's Roovers benden,
    Welhaast met wisser tref bereikt,
In de ongedekte lenden!

    Het rustloos krijgstuig vlamt en rookt,
En mengelt slag in slagen!
    't Is bliksem, uit een onweersbui,
Die plotslijk op komt dagen.

    Een vale stofwolk rijst bij 't vuur;
Zij vult het heuvlig westen,
    En kondigt rasschel ruiters aan,
Ontzetters voor de vesten.

    De vlugtkreet berst om Diebald uit;
Doch HIJ grijpt moed: 'Gevloden!
    Neen!' schreeuwt hij 'Welkom, dubble roem,
Mijn Dappren aangeboden!

    Ter Voorburg heen! 't gezameld puin,
Van de  onvernielde weren,
    Den Helper op de kruin gestort;
Om zeegrijk hier te keeren!'

    Zij volgen hem; zij naadren reeds;
Maar 't is te laat geweken!
    De Hulptroep jaagt den Voorburg langs,
Om op hen in te breken.

    Een fiere Leidsman stuift vooruit,
Aan riddertooi te kennen;
    Nog meer aan 't zwaerd, vergeefs weerstaan,
En door geen vlugt te ontrennen.

    Leer, Diebald! leer uw 'Dappren' nu
'Beloofden roem vergaaren!'
    O lafheid! 'k ziek dien enklen man
Hun digte spits ontscharen!

    Zijn wakkre hoop verruimt de bres,
Met lossen toom gewonnen!
    Niet lang, en 't is geen strijden meer;
De slagting is begonnen!

    De slagting, die door de eeuwen heen;
Schoon ook, bij spade neven,
    De Blokhuismuur een Stulpmuur wordt;
Het Bloedperk naam zal geven.

    't Viel alles! Diebald stort het lest,
Van 's Ridder vuist verslagen;
    En 't juichtend slotruim ziet den Held
Zeeghaftig binnenjagen!

    Daar zit hij af, ontbloot van 't zwaerd,
Op 's Roovers kruin gebroken;
    Maar 't schild nog aan den forschen arm,
En 't helmvizier geloken.

    De ontroerde Burgheerin schiet toe;
Zij drukt hem de ijzren regte:
    'Verlosser, die mijn bangen kamp
Door wonderdaden slechtte!

    Beschermer van mijn have en eer,
Neem, met uw dappre vanen,
    Het offer der erkentnis aan,
In deze vreugdetranen!

    Verberg u niet! ik voel 't verwijt!
Toon mij 't ontfronste wezen!
    De wantrouw had mijn borst doorknaagd,
't Is waar! maar 'k ben genezen!

    Vergeet het, Zweder! zoo 'k te lang
Uw dienst, uw prijs miskende;
    Zoo vriendschap, die mijn kindschheid sloot,
Mijn zin naar elders wendde!

    Vergeef, zoo 'k vaak uw minnend hart
Door stuursche koelheid griefde!
    Ontvang nu 't mijn, mijn Bruidegom!
Vol dank, berouw en liefde!'

    Zoo stamelt zij. Haar Redder toeft,
Maar doet geen antwoord hooren.
    Hij slaakt, met matte kracht, den helm,
Waarin zijn zuchten smoren:

    't Is Herman! 'Herman!' roept Lenoor'
'Gij, Herman, mijn behouder!F
    Lig daar dan, boei! mij aangesmeed,
Door een bedrogen ouder!'

    Zij roept het; werpt den huwlijksring,
Van Zweders hand ontvangen,
    Met smaad in 't slijk, en blijft verbleekt
Aan Hermans boezem hangen.

Aantekeningen
De Zwarte Vrouw