"Ferreus est, eheu, quisquis in urbe manet."
TIBULLUS.
Geen nevelig duister Bedekt meer het veld; Geen blinkende kluister, Die 't beekje meer knelt; Het stormen is over; De buijen zijn heen; Wat ritselt in 't loover, Is zefir alleen. Vol bloeisel van boven, Vol bloemen omlaag, Staan velden, en hoven, En telgen, en haag! De Vrolijkheid dartelt, In klaverrijk Gras; Zij wemelt, zij spartelt, In vlieten en plas. De wouden herhalen Hun feestelijk lied: Ook zwijgt, in de dalen, De Leeuwerik niet Van Echo vervangen, Bij 't rijzen der maan, Heft GIJ nog uw zangen, O Nachtegaal, aan! Geen nevelig duister Bedekt meer het veld; Geen blinkende kluister, Die 't beekje meer knelt; Ontvlugt nu de steden, Wie vreugde begeert! Ontvlugt ze nog heden - De Lente regeert!