JAROMIR TE LOCHEM

A.C.W.Staring

De kennis werd gemaakt; GIJ kondt een beetre maken
 Dan met Vriend Jaromir, maar Lezer, 't was voor mij
 De beste: ik kom daardoor van een Prefatie vrij,
En heb een NAAM, waaraan 't geen volgt is vast te haken.

 Of Jaromir zijn rol van Lucifer
 Meer speelde, bleek mij niet; doch, na zijn Onheilster,
Was Voorspoeds Daglicht op den horizon verschenen:
 Gehuld in Sint Franciscus dos,
 Zat, die een WANDLEN moest, parmantig ip een ros,
En spaarde dus, bij 't Missiewerk, zijn beenen.
 't Was reizen links en regts! noord; zuid; en oost; - in 't lest
 Ook West;
Dwars over 't Munstersch heivlak henen;
 Tot daar, of Gelders grond,
 Thans nog de dubble stoel van Graaf en Hertog stond.

Hoe had een monnikspij den Prager Borst herschapen!
Wat kracht deed in den Man 't aldwingend kwispelwapen,
 Sinds jaren, door zijn hand, ten schrik der hel gezwaaid;
De naam van Heilig, hem bij groot en klein geschonken;
 De biechtstoel, die zijn heersch- gelijk zijn hebzucht paait!
 Doch, Onbeproefden, zoo gij soms hier zege kraait,
Ziet toe! ons zwaklijk hoofd wordt vaak van minder dronken.

 De klucht, gespeeld in zijn studententijd,
Met koeijenstaart en paardenpooten,
 Was Jaromir voolang uit zijn geheugen kwijt.
DAT LIGT DEZE APERIJ DEN ZWARTEN HAD VERDROTEN,
Zulks kwam hem nimmer in den zin!
 DIE ANGEL ZAT ER NIET TE MIN,
En werd steeds giftiger, als bij 't exorceseeren,
 Een Geest, van 't nonnenplagend slag,
Zich onvoorwaardlijk moest verneeren,
 Voor Jaromirs gezag.

_Summa summarum:_ Heintje pik lag op zijn luimen,
Om, met acht vingers en twee duimen,
 De kans, hem vroeg of laat geboon,
Krachtdadig bij haar vlecht te pakken,
 En onzen driesten Muzenzoon
een kool te bakken.

 Deze onbewust van 't hem bedreigend kwaad,
(Den os gelijk: `weldra, voor APIS aangebeden'
 Gelijk hij droomt! maar die van 't slagthuis staat!)
Was Lochems poorten ingereden,
En blikt hoogwaardig van den zadel naar beneden.

 Op eens! de straat loopt vol; men joelt; de klokken gaan!
 `Ter eer van zulk een Gast!' vertelt hem de Eigenwaan,
En 't plooit zijn mond nog meer in 't deftige; als een jongen,
Van uit de herberg, naar den Ruiter komt gesprongen:
 `Net afgepast Heer Pater! Hoor
Die NIEUWE KLOKKEN eens! niet waar? dàs trant! zij hongen,
 Daar viertien dagen lang doofstom: bij d'ou' Pastoor
 Van Lochem, mogt er zelfs geen pover KLEPPEN door!
 ` `Waartoe, ze omhoog gehijscht, vòòr 't wij'en ?
Dat wordt alsnog vereischt, eer ik 't geweld zal lij'en. ' '
  Zoo zie de Pastoor - en ging van honk -
 En - 't jonge volk zijn gang! Maar nu 't zoo deftig klonk,
Moest dat de zondaars toch van penitentie vrij'en?'

 `Hoe, deugniet! Welk schandaal! Is dit een Christenland!
 Neen, de Antichrist heeft hier zijn oproervaan geplant! -
En de aarde splijt nog niet?! Nog valt geen zwavelregen?!

 Dus stortte zich de galblaas van den Sant,
(zijn ruin inmiddels afgestegen)
 Op dit gekakel uit. 's Mans hevig blaken is
 Min ijvergloed, meer ergernis,
Om d'al te slinkschen trek, dien hem de hoogmoed speelde.
Hij stapt, als of hij mee in 't Erf van Petrus deelde,
 En Schepterdragers ZONEN hiet,
Te midden van een schaar, die naar 't gebomban luistert;
En schreeuwt: `Heeft razernij hier ieders brein verduisterd!
 Daar 't Kerkwet en Pastoor verbiedt,
Met Ongedoopte Klokken benglen!
 Bij Sint Michiel en zijn tienduizend englen,
 Geen PRIESTER zou' hij zijn, die zoo iets glippen liet!
Vloek treff' dat Klokkenpaar, dat onbevoegd durft klinken!
Wat hòòg steeg zal te làger zinken:
 Ik geef ze beide in Satans magt!'

 Dààr had de Booze hem gewacht!
Zijn Klokken nam hij beet: ten leidak uitgebroken,
 Verschijnen ze in de lucht, met klagen nàgebrom.
Maar - van de KLEPELS had de Schenker niet gesproken,
 En Heintjen wil voortaan geen Kerkeneigendom
Dan met bewijslijk regt verkrijgen!
Hij rukt de Klepels, onder 't pijlsnel opwaart stijgen,
 De Klokken uit, en smakt ze naar beneen! --
 Op welk een hoofd? -- helaas, op een ...
Geschoren kruin? -- de tong des Strafprofeets moet zwijgen!
 Dood! - of is 't minder erg dan schier
Zoo goed als dood ligt Pater Jaromir!

De Klokken middlerwijk voltrekken
Haar aangevangen reis. Twee Water poelen strekken
 (een kuijer ver van Lochems Veldgemeent')
 Ten badplaats aan de snaatrende eend -
Ten spiegel aan de bonte wolken:
 't Was derwaarts dat ons tweetal trok;
 In elk der Kolken plompt een Klok -
En 't zijn voortan DUIVELSKOLKEN.
 Zoo vaak het jaar weer Kerstijd bragt,
 Kwam, sedert _puncto_ middernacht,
De Helvoogd op zijn Klokken trommen;
 Of hier een stoute vrijgeest lacht,
Wie scherp van oor is, hoort ze brommen.


Aantekening.
Jaromir te Zutphen.
Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina