AAN LUNA

A.C.W. Staring

Na de beschouwing van een' luchtsteen.

    Vrouw Maan! (of moest het JONKVROUW zijn,
Trots Latmus wildernissen?)
    Vrouw Maan! de lamp heeft SCHIJNS genoeg;
Men kan uw WEERSCHIJN missen.

    Spaar vrij die ongevergde gunst -
Dat malsch gelonk voor andren;
    Ik hoor, sinds ik uw parten ken,
Niet tot uw medestandren.

    Hiet dit een vreedzaam hemelbuur,
Naar voeg en pligt, bejeegnen,
    Wanneer uw moedwil keijen gaart,
Die ge op ons erf laat reegen?

    Gij moogt dan mikken - al of niet;
Een blinde smeet kon raken;
    En steenproefd weet men, hier te land,
Geen vilten hoed te maken.

    Kortom, de maat is boordevol.
Dit had ik u te melden.
    LA LANDE staat als schildwacht uit; -
Nog eens, dan zal 't u gelden!

    Hij spreekt, en Po en Rhone zwoegt,
Om luchtballons te weven.
    Men stormt naar Vlootvoogd GARNERIN,
Uit lust van mee te zweven.

    Daar schuimt en dampt het zwavelzuur,
In honderd duizend tonnen!
    De Maanarmee velaat den grond,
Bij 't baldren der kanonnen.

    Zij klimt; zij is het zwerk al door,
Waarin uw Etna's branden;
    Om plotslijk aan de Nectarzee,
Met drooge keel te landen.

    Buig Keijenraapster, buig den nek;
Laat straks uw vivat hooren;
    En zet, als wij, de kaars voor 't glas -
Het vendel op den toren!

1804.

Aantekening.
Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina