MARCO

I

A.C.W. Staring
 Jong, welgemaakt, van edel bloed, schatrijk,
 Vond Marco niemand zijns gelijk
Bij Napels Jeugd. Hij kon' het puikje vragen
 Uit heel de maagdenrij,
 Die koning Manfreds heerschappij
Ten sieraad bloeide, en wierd niet afgeslagen:
 Hij zelf, aan de eerste plaats, was daar verzekerd van,
En scheen toch ongezind om Humens juk te dragen.

 Te veel voorkomendheid, zoo 't gaat! bedierf den Man.

 Dat HIJ! - het eenig doel, op 't welk zich honder schichten
Uit honder oogen vlammend rigten,
 Als Parthenopes Dogtrenschaar
 Bij hoffeest of tornooi elkaar
 Den voet wedijvrig poogt te ligten; -
 Dat HIJ zijn jonge hersens daar
Voor duizelen zou' behoen, was naauwlijks te verwachten.

 Ook deed hij 't niet! De ridder werd alras
 Verliefd op zijn persoon, nog meer dan 't iemand was.
 Gelijk het rad draait om den as,
Zoo draaijen rustloos zijn gedachten
 Om 't _centrum_ van zijn dierbaar IK:
 Waar Marco gaat of staat, hij heeft, elk oogenblik,
Met Marco iets te doen. Een spiegel moge ontbreken,
Waarin hij gluur', geen nood! de baar wordt gladgestreken;
Het net beloop van kuit en voet bekeken;
 Het mantelsnoer verknoopt! een scheefgevallen plooi -
 Een 'k weet niet wat verholpen aan zijn tooi.
Korton Narcissus Geest; die als een spook bleef waren,
 Nadat zijn lijf, in 't stille nat,
 Aan eigen mooi zich doodgekeken had;
Narcis, met spot geweerd uit de elizeesche scharen,
Was in 't Bedorven-Kind der Meisjes komen varen:
 De schaapjes braken nu te laat
 Het hangend hoofd met meerbezonnen raad!

Haar Sekse nogtans werd, ten zoen van 't Regt, gewroken,
Door Julia, een bloem op 't eenzaam veld ontloken.
 Als gast genood bij 't winter-stadsvermaak,
Landt zij in Napels aan. Wat oogen heeft roept wonder!
Geen harten, of zij brengt ze, als door betoovring, te onder;
 En dat men, voor haar schoon, naar ridderwijze, blaak'
Verklaart de Jonglingschap een staatswet, niet te schenden,
 Doeer wie voortaan nog man van smaak
Wil heeten, in den kring van zijn bekenden.

 Vriend Marco neemt dus mee de leus aan van Galant.
 Maar, als hij merkt, dat zijn vereerende offerand
Het Kind niet meer tot wedergunst doet nijgen,
 Dan zulks een mindre doet; en, steeds in vaste hand,
Heur waagschaal tusschen dalen blijft en stijgen; -
 Als hij, bekwikt, bestrikt, ontdekt,
 Dat zich een glimlach om haar aardig mondje trekt,
Die eer kritiek dan approbatie teekent,
Wordt zulks het Nufje string in _debet_ aangerekend!

 Zij zal er aan! "Geen man, van mijn figuur,
Van mijn rang, van mijn geld, wanneer hij 't schijnt te meenen,
 En op den trouwring wijst, valt de overwinning zuur.
Sint Januarius heeft hier geen hulp te leenen;
 Het loopt van zelf los! - - En!
Wanneer het wespje nu omsponnen
 Hangt in mijn web, als IK nu koning ben,
En ZIJ slavin is; als, in 't heimelijk' begonnen,
 De toestel tot haar bruidgewaad
 Bij dag, bij nacht, voor haar verbeelding staat,
Dan laat zich misverstand uit de eerste stroowisch draaijen,
En 'k tree gebelgd terug, met tranen niet te paaijen."

 De Ridder, na dit zelfgesprek,
Tijt fluks aan 't werk, Hoe? blijv' hier niet onbeschreven.
 Genoeg: geen enkle wezenstrek
Van Julia verraadt, dat zij hem voet wil geven.
 Hoe welbedacht hij 't spel hebbe aangeleid,
 Men laat het jegens hem bij heusche minzaamheid,
 Als jegens elk. Het onderscheid
Misschien, ja, bij naauw toezien, op te merken
 Is dit: dat haar kritiek; somwijl onschampren jok
 Bij 't lachje voegend, dat weer schalks haar mond vertrok
Alleen tot hem zich blijft beperken.

 Zoo was het; hij zag wèl; en let nu wat gebeurt!
 Stond Marco eens van gramschap rood gekleurd,
Wanneer Miss Julia hem - d'Afgod van de schoonen! -
Als was hij nog een kind, met kouden spot dorst honen,
 Thans kleurt genoegen zijn gelaat,
 Dat Julia hem blijkbaar gade slaat:
Genoegen, dat uit zuivre bronaar vloeide!
Geen booze treek, waarop zijn gramschap langer broeide!
 De boog, die sluiks op 't wild gespannen stond,
 Had, dwalend met haar pijl, den jager zelv, gewond.

 En van die pijl - van zorg, die al zijn rust verslond,
Gefolterd, gaat nu Marco dolen;
 Of liever, rijdt hij in gepeinzen over 't veld.
Het nijdig lot heeft hem zijn Dulcinee ontstolen!
 Een oude Moeder "door wat  jicht, zoo 't heet, gekweld!"
Heeft onverziens haar Julia bevolen,
 Dat ze uit het vrolijk stadsgedruisch
 Terugkeere, en bij haar opsluite in een kluis.
Deez' eigen morgen is de flonkerster verdwenen,
Die aan den trans van Napels heeft geschenen! -
 "Helaas!"

                  Bij dit helaas voelt Marco's rosinant
Den scherpen prikkel van zijn sporen
 Zich onverdiend aan iedren kant
Een halven duim in 't weeke boren -
 WORDT dol, gelijk zijn Meester SCHIJNT -
Vliegt over heg en hek - zet over groeve en grachten -
En meet de ruimt' met onuitputbre krachten!
 De stad, het dorp, het akkerland verdwijnt;
De wildernis vangt aan; geboomte en struiken naadren
 Elkaar al digter en al digter. 't Hollend Dier
 Houdt vol te runnen! tot in 't leste met een gier
De Ruiter nederploft.

                      Een bed van dorre blaadren
 Ontving hem, en hij rijst met ongekrengte leen.
 Maar 't paard vlood uit het oog! alleen
Het paalloos hout bleef staan, in welks geheimenissen
 De honger, of een scheurziek wolvenbroed
Van Marco's einde zal beslissen!
 Dit schriklijk denkbeeld jaagt hem 't bloed
Al saam terug naar 't hart. Hij blijft nogtans bezonnen:
 De Hoop blaast lieverlee het vonkje van zijn moed
Ten vlam, en 't pogen is begonnen,
 Om regtdoor 't onherbergzaam woud
Te klieven: of ter andre zijde
 De grenzen ligtlijk aan een Wachter zijn vertrouwd,
Wiens gastvrij huisdak hem verblijde.

 Twee uren zwoegt hij voort, en de uitgang bleef verspard:
 Daar treft hem een gevaart' van klippen, naakt en zwart,
Met huivring! 't Geboomt' houdt, als teruggestooten,
Den barren steenklomp op een afstand ingesloten.
 Een mengeling van kruid, ten spijt van 't jaargetij'
Met bloei gesierd - met zaad of bes beladen -
 Vervult het open; maar 't gevogelte ijlt voorbij:
't Vond hier geen aas! Geen beet mag het ree verzaden.
 Al wat hier wascht is gif: 't bedrieglijk akoniet,
 Dat door den scheerling heen zijn blaauwe trossen schiet;
De dorenappel, met de bilzenplant vereenigd
Pest walmend door de lucht; het doodkruid, van de menigt'
 Der glimmervocht gekromd: aan DEZEN is 't gebied
Uitsluitend ingeruimd.

                          De wind sliep in; met ziet
Hetgeen daar groent nogtans met vreemd geritsel beven:
 't Zijn schorpioenen, 't zijn tarantlen, 't is een broed
 Van adders, wriemlend aan den voet
Der stronken, of door 't loof onrustig omgedreven!
 En welke is nu de onkwetsbre hand,
 Die hun venijn braveert? die hier van plant bij plant,
Geen uur geleen, als blijkt! een buit kwam plukken?
 Wie is 't, die, langs dit slingrend pad
 Zoo korts, ten klipwand heen, met naakte voetzool trad?

De zwervling waagt, met schroom, het open spoor te drukken,
 Dat naar den steenklomp wijst. De deur, waaraan het stuit,
 Verbergt een Hol. Schoon haar geen grendel sluit,
 Heur Dorpel, door 't betreen, diep uitgeschuurd, zegt luik:
Het klipgewelf heeft een bewoner.
 Zij laat de lucht voor hem door spleet bij spleten in;
 En boven haar bloeit, op de steile tin
Der klip, een rozenstruik: geen meimaand teelde schooner.

 Hij bloeije daar, mijn Hoorders! Ik verlaat
 Een poos den keuvelstoel, want ik ben moegepraat.

Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina
Naar Marco, deel II.