MARCO

II

A.C.W. Staring
Eer aan den Ouden Tijd, en weg met de EEUW DER REDE!
 _Vivant_ de Dooden! roep ik mede!
Zij DEDEN WONDEREN - WIJ DOEN 'T GEEN WONDER SCHIJNT!

 Ons VLIEGEN lijkt wat groots, maar, wel bezien, verdwijnt
Het gansch mirakel! een ballon, van lucht gezwollen,
Draagt ons omhoog! - Wanneer, in 't Stoomland, wagens hollen,
 Al loopt er een paard, noch paardsgelijke, voor: -
 De ketel met zijn toebehoer
Vervangt het rennend span! - Of, gaat er een te water -
Zinkt vijf, zes vaamen diep - en staat er
 Te metslen? - Die het doet huist in een Duikerklok!
 Armhartig kruimelwerk! Een ebbenhouten Stok
Kon den der Wijzen hand, voorheen het zwerk regeeren,
Een enkel Woord kon berg tot dal verneeren.
 Zòò vèr ging Wetenschap! Maar nu ging ze achter uit -
 Gelijk al 't Goede! en liet haar droesem tot een buit
Aan snoodheid, om, misbruikt, een nageslacht te plagen,
Onwaard het heilgenot der Zalige Oude Dagen!

 Wie ondervond zulks meer dan Marco, die bleef staan
Voor een doorluchte Deur!

                  Met handen niet te raken,
Hing boven hem een Rozengloed te blaken:
 Hij schouwt dien met verbazing aan,
En voelt zijn hart van nieuwe vrees bekruipen:
"Neen 't is voorzigtigheid, geen blooheid, heen te sluipen!"
Doch, zonder eerst door deze deur te gluipen,
 Den weg naar 't bosch weer in te slaan -
Nieuwsgierig als hij is - hou zou' hij zulks vermogen!
Hij staat des voor een reet, met strakgevestigde oogen;
 En 't geen ze ontwaren ... is de booze Tooverkol
 Urocha! zigtbaar bij het licht, dat in haar hol
Door 't welfsel valt. Zij is 't!

                       Terwijl, met innig beven,
 Die haar bespiedt op heur bedrijven staart,
Ontsluit ze een zalfbus - èèn van zeven
 Gelijken, in een kring geschaard.
Drie vingren, schraal en krom als kelderspinnebeenen,
Doopt zij daarin; bestrijkt haar voorhoofd ... en verdwenen
 Is 't Wijf! Zij werd een Kraai, en vloog het open uit,
Waardoor het spookhol van den middag wordt beschenen.

 Weg rent ook Marco, eer zijn aftogt wordt gestuit!
Hij trouwt het heksen niet! - Doch, vòòr in 't bosch gekomen,
Hoort hij een fladdren door de boomen,
 De Kraai, teruggesneld, schiet langs den rozelaar
Onstuimig gierend, naar beneden,
 Met een geplukte bloem; zij scheurt die uit elkaar;
Slikt ze op; en 't Wijf hernam haar menschelijke leden!
 Waartoe? - om met een vaart te keeren in haar grot,
 En kort daarop, uit d'eigen pot
Bestreken, zich van nieuws in vogeldosch te kleeden.

 Daar vliegt de Kraai weer heen! maar, bij hervatte vlugt,
Draagt zij een voorwerp, flus, zoo 't schijnt, in 't hol vergeten,
 Een talisman, als vracht mee door de lucht.

Dat ziet hij die daar staat. Geen tijd hoeft meer gesleten
 Met raadslaan! kenlijk is 't wat ijlens moet gedaan:
 Hij worde òòk Vogel; plukke een Roos; vlieg westwaard aan,
Naar 't strand; en heeft hij daar zich weer ten Mensch gegeten,
 Dan blijkt de Stad misschien eer 't nacht is te BEGAAN.

Zoo dacht hij, en de moed deed al zijne aders zwellen.
Hij draalt niet om naar 't hol te snellen;
 Hij grijpt de Zalfbus, die de heks greep, naar 't hem scheen;
 Besmeert zich mild; en krast met een
 Victorie ... mits hij slaag'! maar KRAST hij, Hoorders? - neen!

Hij werd een EZEL, en hij BALKT! - Genomen
 Uit een verkeerden pot, is 't magiesch Liniment,
 Zoo 't spreekwoord zeit, den Patiënt
Gelijk den hond de worst bekomen.
 En, ach, zijn kleinte reikt tot gindschen bloemstruik niet:
 Hij blijft hetgeen hij is, en vliedt.

Hij vlood! en 't woud dat hem geen open wilde gunnen,
 Zoolang hij op twee voeten ging,
Begint zich, voor den viervoet, straks te dunnen;
 Tot, aan de koningsbaan, olijf de beuk verving.

Een avontuur stond Langoor hier te wachten.
 Geschreeuw van moord gaat op! waarbij een vrouwenstem:
Terwijl ze erbarming smeekt, klinkt deze hem
 Als Julia's! Hij loopt ter hulp, uit alle krachten;
Vergetend wat hij is, en Man in zijn gedachten.
 Daar ziet hij 't arme Kind! Het lastdier dat haar droeg
Ligt, als haar leidsman, zonder leven.
 Het Rooverpaar, welks boosheid hen versloeg,
Schijnt spottend aan de Jonkvrouw moed te geven.

 Versteend schouwt dit de onweerbre Marco aan,
 En een der guiten ziet hem staan -
Springt toe! en heeft hem vast bij de ooren,
Eer zijn bezinning keert. - Wat lot is hem beschoren?
 De zadel, van zij dooden stamgenoot
Naar 't uiterlijk, wordt op zijn rug geladen,
 En Julia, die gaarne weerstand bood,
't bestijgen van het dier met blanken dolk geraden.

 De togt gaat nu, langs heimlijk spoor,
De naaste heuvlen in. Eerst was hiet ijlens vlugten;
 Maar - een vallei met ruigt' bewassen dòòr -
Schijnt eindelijk 't geboeft' geen volgers meer te duchten,
 En een gesprek vangt aan, terwijl zij 't vlietend zweet,
 Van 't aanzigt wisschen. "Onze Hoofdman staat gereed,
Zoo 'k denk, om 't restjen van zijn goudbuil te besteden,
 Voor zulk een Vangst" zegt de een. "" De Hoofdman, dat ge 't weet,
Roert aan dit Kluifje niet!"" zegt de andre. ""'t Hoort met reden
 Aan MIJ! Ik hield haar aan! - Ik stiet den Schreeuwer neer,
 Die naast haar draafde - en GIJ ... 't ontsnappend Dier! Niets meer
Was UW bedrijf! - De gouden keten,
Daar aan heur hals, u toe te meten,
 Kan gaan, doch haar persoon, goe vriend,
 Is juist wat MIJ uitsluitend dient.
De Hoofdman ... neem, voor zijn pistolen,
Den Graauwen, zoo 't hem lust.""

                             Een gloed van helsche kolen
 Blaakt uit het oog van hem tot wien hij 't zegt,
En 't schelmenpaar begint een woedend tweegevecht.

"O, red mij nu, goed beest!" zucht Julia. Haar handen
 Aanvaardden bij die zucht zijn vrijgelaten toom;
 Doch, eer dat stuur beveelt, is reeds de gast niet loom
Met wenden! Als begon de grond vooruit te branden,
 Stort hij terug langs 't verschbetreden pad.
 De Roovers volgen! maar, ter dood toe afgemat,
Verzaken zij 't weldra. 't Lukt Julia te landen,
 Waar thans de koningsweg meer veiligheid belooft.

 Zij vest een natten blik, op die van 't licht beroofd
Daar achterblijven moet, en op het dier - verslagen
 Met hem. Eilaas geen menschenmagt
Die hier meer helpen kan! en 't moordgespuis te ontjagen
 Dringt nog te sterker, daar de nacht
Allengskens naakt. Zij spaart des nutloos klagen,
 Om onverwijld haar dier te nopen, werwaarts heen
Haar reis ging. - Moederlijk werd ze aan dien oord ontvangen,
 Toen juist de dag van Somma's top verdween.

Ik zwijg van 't wederzien; zwijg hoe Elvira's wangen
 Bestierven, bij 't verhaal van 't geen haar Dogter leed;
En hoe Mama, door geen _da capo_ te verzaden,
 TWEE DAGEN aan 't erkaauwenswerk besteedt.
Den DERDEN vinden wij Vriend Marco, voor zijn daden,
 Lijf-ezel van zijn Julia verklaard;
 Doch vrij, gelijk de hond die 't huis bewaart:
"Martino" ('t werd zijn naam) "Martino, zoo bescheiden,
Zoo wezenlijk! verdiende 't regt van weiden,
 Naar onbepaalden wil." En hij misbruikt het niet.

 Als zijn Meestres verschijnt, het blijkt dat hij haar ziet;
Den ganschen dag; hoe vroeg, hoe spaa 't moog' wezen;
 Fluks hulde doende aan HAAR, wier trouwe knecht hij hiet.
Heur zinsverandering betoont hij klaar te vreezen,
 Wanneer ze een woord slechts van een ridje vallen liet:
Hij draaft zijn tuig te moet! Haar meening kan hij lezen,
 Zelfs uit een enklen blik; zoo goed als hem haar taal
 Verstaanbaar is. Men vindt hem telkenmaal
Waar zij zich heen begaf. Hij volgt bedaard heur schreden;
Toeft als zij toeft; strekt digt bij haar zijn leden,
 Als 't Meisje nederzit; en - welk een School doorloopt
De Cicisbee, in twalef weken
 Dat hij zoo doet! Hoe duur hij ook de Lessen koopt,
Die hij ontvangt, geen offer komt, geleken
 Bij haar waardij,
 Den prijs dier LESSEN bij.

Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina
Naar Marco, deel III.