MARCO

Aantekeningen

A.C.W. Staring
Van LESSEN sprak ik; doch (om misverstand te weren)
Van VOORBEELDSLESSEN was 't. Door deze nog te leeren
 't Geen vroeger werd verzuimd, viel onzen Held ten deel.
 Hij wordt van 't Lot gekweld, maar ook het schenkt hem veel!
Hij mogt het labyrint waarin hij zwierf ontkomen,
 Gewenkt door Julia!

                      Zij wijdt aan bezigheid
Haar dag. Heur naam wordt op de tong vernomen
 Van heel 't gezin, terwijl ze alles leidt;
Stil, nogtans, als de veer, in 't uurwerk, door haar drijven
De wijzernaald heur cirkel doet beschrijven;
 Niet met luidruchtig onbescheid,
Gelijk de beek op 't rad eens molens neer doet stooten.

Hoe zedig wordt de schat van haar verstand ontsloten,
 Als eenvoud raad begeert! Hoe heimlijk wrocht haar hand
Het goede, aan oud en arm bewezen!
En wie toch zou' de Heilig, opgerezen
 Van voor het bed der smart, waaraan zij troostend zat,
In 't Meisje groeten, dat gastvriendlijk onder 't loover
 Gekeerd bij haar vriendin, een luit heeft opgevat.
Zij stemt ze op nieuw, en speelt het lied weer over,
 Dat ze onvolspeeld gelaten had.

Te diepbeschamend tuigt het leven
 Van Marco tègen hem, daar 't hare, zòò besteed,
Zich aan zijn oog vertoont. Wat nuts heeft HIJ bedreven?
 Hij WENSCHTE vaak genoeg, dat hij iets loflijks deed';
Hij WENSCHTE stad of staat, naar burgerpligt, te schragen;
Maar 't WILLEN rijpte nooit! Aamechtig van zijn jagen
 Naar schijngenot - met zich en elk te onvreen -
 Sloop, iedren spaden nacht, de Ledigganger heen -
Verzwoer 't vervelingsjuk, en ving 't weer aan te dragen,
 Bij 't volgend licht!

                        Dit zelfverwijt
Liet nimmer af aan zijn hart te knagen.
 Het goede zaad, in zijn verdwazingstijd
Aan Julia's doordringend oog gebleken
Te schuilen in dat hart, en dat al vroeger teeken
 Van kiemen gaf! sproot nu geworteld op

"Waarom gedraald, o Mei! schenk deze streken
 Uw VOLLE gunst! Laat ook de ROZENKNOP
Van uw bevruchtend' adem zwellen:
Laat eindelijk Martino zich herstellen -
 Ten Marco! - Ja! - maar die het beetre thans verkoor,
En, na gedragen kruis, zich blij genot druft spellen!"
 Zoo zucht hij menigmaal, sinds heldre lentegloor
Natuur verjongen deed; de vlieten zijn geslonken;
En 't gras den beemd, het loof aan 't bosch is weergeschonken.
 Zoo zucht hij, tot in 't lest, de Roos bloeit! -

                                             Spits van oor
Beloert hij ze in den hof, en eet ze al met zijne oogen!

Het verdergaan wou' 't lathek niet gedoogen! -
 Daar trad de Maagd, van uit de woning, struikwaart heen:
 Zij zag de bloemen, plukte er een,
Stak ze aan haar keursje vast, en trad door 't hek naar buiten;
Doch om het ras weer voor den Gluiper toe te sluiten,
 Die, door haar komst, gelijk zij meent, verrast,
Baarblijklijk voorhad, om zijn regt van overweiden
Ook tot den hofgrond uit te breiden,
 En op de jonge groente vlast.

Wat zal hij doen? Hij laat zijne ooren hangen,
En volgt, verdiept in zwaar gepeins, haar gangen.
 't Gaat weer ter boschkapel. hij heeft tot peinzen tijd.
"Die Roos" peinst hij "haar met geweld te ontrukken? -
 Zou' IK zulks doen! - Maar ligt raakt zij ze wandlend kwijt!"

Hij houdt ze dus in 't oog! - "of - (honderd zal ze er plukken,
 En meerder, eer 't sezoen verloop'!) -
 Een andren dag vervult een andre bloem zijn hoop!
Dan maakt hij met zijn buit zich vliegens op de beenen -
Het bosch in! en een hap, zoo is het vel verdwenen,
 Dat hem de foltring lijden deed
 Van Herkules, gedoscht in Nessus kleed.!

Dit was zijn plan. Maar 't Lot, schoon 't hem zijn gunst wil toonen,
 Doet zulks op eigen wijs: een dagelijksch geval,
 Bij 't rustloos op en neer van 't sublunarisch dal,
Waar de onverzaadbre wenschers wonen!

 De Maagd heeft nu het kleine Heiligdom,
Als ze iedren ochtend doet, betreden,
En stort daar knielend haar gebeden.

Wat de afgoon heeft behoord, ruim duizend jaar geleden,
 Hoort nu Madonna toe. Oud muurwerk rijst alom
Nabij de Bidplaats, en getuigt, dat hier voordezen,
 Eer Romes glans moest ondergaan,
Een landpaleis de zetel plagt te wezen
 Van praal en overvloed. Nog ziet men zuilen STAAN:
De Tijd sloeg, op haar schacht, reeds zeis bij zeis te stukken;
Haar ZUSTERS zijn vergruisd - ZIJ wisten van geen bukken;
 Maar 't rankend eiloof kleeft er aan,
 En aller kapiteel is van zijn vracht ontlaan.

Vond Marco, als hij 't wederkeeren
Van Julia, na 't vroom vereeren
 Der Heilige, hier toefde, op 't groene mos gestrekt,
 Zich menigwerf tot onderzoek gewekt:
Wat heldenstam hier nogmaals  mogt regeeren;
En rees hij op, in ZOCHT naar 't geen hem 't puin kon' leeren;
 ' Was sprakeloos.
                      THANS is 't geen ZOEKENS tijd:
Pas had hij zich geduldig neergevlijd,
Waar 't bosch aan bouwval stuitte, als voor zijn glurende oogen
Iets raadselachtigs zich, in duistre welfselbogen,
 Van ver bewoog.
                Bij 't licht, dat door een muurbres schiet.
 Blijkt hem, ten langen lest, het voorwerp dat hij ziet,
Een Paard te wezen. 't Staat gezadeld aangebonden.
"Waar mag de Ruiter zijn?" - Zie ginds! hij is gevonden!
 Een Guit, bij ons bekend, die uit de Bidplaats stoof,
 Begaat aan Julia ten tweede maal een roof! -
Zij worstelt gillend in zijne armen.

Martino, dubbel, door jaloersheid en erbarmen
 Gespoord, heur schaker na! en eer hij 't welf gewint
Bereikt hem met zijn gebit, en haalt hem rugglinks neder.
Doch, snel, met blooten dolk, rijst de Overmande weder;
 De hand van Julia steeds meester - hoe het Kind
Zich were! Alleen, van diersch instinct gedreven,
 Wendt zich Martino; doet geweld
Met de achterhoeven; mikt op 't leven
Der Roovers; en, schoon zelf niet zonder wond gebleven,
 Is hij verwinnaar, en de vijand ligt geveld.

Zijn Julia, die eerst het wondenbloed zag stroomen;
 Die nu al de aakligheid des bangen doodkamps ziet,
Van hem, wien ze, als bij wonder, is ontkomen;
Bezwijmt.
              Dit oogenblik wordt ijlens waargenomen,
 Door onzen Held: De Roos verliet
 In 't moedig weerstandbien, de borst der Schoone niet:
Hij vat ze met zijn ruige lippen;
 Hij slaat ze binnen; en met een
 Zwindt de ezelshuid! - Reeds knielt de Marco van voorheen
Naast Julia, en waait haar koelte met de slippen
 Van zijnen mantel toe. Haar naam klinkt in haar oor,
 Met liefdes zoetsten toon, en dringt ten laatste door
Tot daar 't bewustzijn schuilt, dat meer en meer zijn banden
Verbreekt. Ze ontsluit haar oog. Zij trekt uit Marco's handen
 Bevreemd haar regte. En waar begon
 Waar eindigde ik, zoo ik U malen WILDE en KON',
U, schoon tooneel van twijfling - van gelooven -
Van duurbezworen gloed, dien tijd noch lot zou' dooven! -
 Van zedig-staamrend dankbetoon,
Dat Marco's trouw erkent; al wordt de stond verschoven,
 Die blijken doe, of 't hoogste minneloon
Hem zal gebeuren, wien het tweewerf mogt gelukken,
Zijn Julia aan wis verderf te ontrukken.

 Dat Julia dit loon hem niet te lang betwist,
 Getuigen traan op traan, die ze uit hare oogen wischt,
Terwijl nu Marco met haar sluijer wordt verbonden:
 "Voor HAAR behoud ontving hij, in 't gevecht,
 Die wond, waarop zij 't heelkruid heeft gelegd -
 Het heilig teeken maakt - en driemaal _ave_ zegt!"
Kon' ooit een Minnaar zich op beetren titel gronden! -

 Moog' dan ons Paar alsnog geen Bruigom zijn en Bruid,
 Schatrijk aan hoop, spreek ik mijn _dixi_ uit.

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.
Aantekeningen.