EEN NIEUW LIED,
VAN EEN MEISJE EN EEN SCHIPPER.

(OP EEN BRUILOFT GEZONGEN.)

Te zingen op de wijs van "Der Ritter von Rosen; Musik von Meltitz."

A.C.W. Staring
't Was ochtend; een Meisje ging wandlen aan strand;
    Een bootje, dat vlagde, lei ree;
En straks was de vriendlijke Schipper ter hand,
    Die sprak: "Schoon Kind, wilt gij mee?
      't Is het regte getij om te varen,
      Nu de morgenzon glanst op de baren.
        Grijp moed, Schoon Kind, en vaar mee!"

Het Meisje, met blosjen op voorhoofd en wang,
    Stond peinzend aan 't ruim van de zee;
Daar klonk uit den hoogen een Toovergezang;
    Daar murmelde 't zacht langs de ree:
      "Ga varen, Lief Kind! ga varen!
      De morgenzon glanst op de baren:
        Gij voert het Geluk met u mee!"

Maar tranen bedauwden een moederlijk oog:
    Het scheiden, het missen doet wee!
En troostend begon weer de Zang van omhoog,
    En blijder herhaalde de ree:
      Laat varen 't Jong Paar! laat varen!
      Gelijk van gemoed en van jaren,
        Doorkruist het een veilige zee!"

Wat deed nu het Meisjen? Het waagde de kans;
   En luid riep de Schipper "hoezee!"
En de golfjes droegen met vrolijken dans,
   Hun Bootje van de effene ree.
      Blijf varen, Jong Paar, blijf varen;
      Gewiegd op de hupplende baren,
        In 't Zonlicht van Voorspoed en Vree!

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.