Gerard van Mierop, in het blokhuis, te Ypesloot

begonnen aan te leggen vôôr, en voltooid nâ dat Amsterdam, door een' priester, namens hertog Karel van Gelder was opgeëischt.
1507.

A.C.W. Staring

"Ter regte Diemens golvend Meer;
   Ter linke 't bruischend IJ;
Een Blokhuis, dat den schei dam Spert;
   Een dubble Kielenrij; -

Genoeg beschuts voor de Amstelvest!" -
   " "Keer' nu, wie toegang vraag' -
Wiens vossenkruin een monnikskap,
   Of blanken stormhoed draag'.

Kome andermaal de Geldersman
   Met bidkrans of trompet,
Als boodschapbrenger van zijn Heer,
   Die Weseps wal bezet.

Verschijn' de kreegle Hertog zelf!
   Vermeestre WOEST GEWELD
Den Voorburgsleutel, in de vuist
   Van Mierop vastgekneld." "

Dus klonk het, elke dag en uur;
   Nog bitser menigwerf 1
En eindlijk rende, dolgesard,
   De Vijand in 't verderf!

Zijn WOEST GEWELD bestònd den kamp!
  Doch Mierop wenkt: de lont
Drijft van rondom hun 't welkom toe,
  Uit ijzren mond bij mond.

Verpletterd tuimelt heel een schaar
   Den smallen dijkrug af;
Ten prooi van 't bloedig wed! bercofd
   Van leven en van graf.

Maar stort verderf, ten Blokhuis uit,
   Op hunnen schedel neer; -
Maar vlamt en treft het scheepsgeschut
   Om beurt, uit IJ en Meer; -

Vergeefs! hun rijen dringen aan;
   Hoe vaak van nieuws gesloopt.
Eerst wijkend bij den derden roep, 
   Die hen ten aftogt noopt.

Naar 't ledig Wesep keerden zij,
   Als wolven naar hun kuil!
En of men 't weêr ten strijde daag',
   Thans houdt het broed zich schuil:

't Veinst onmoed; tot de zomernacht
   Met dubbel nevelkleed
De baren dekt, en 't zwerkgordijn
   Zich voor de maan verbreedt.

Nu wordt een andre kans beproefd,
   Een andre baan gezocht:
Misschien dat snege list verschalkt,
   Dien kracht niet overmogt !"

Een smaldeel bootjes volgt elkaâr,
   Bemand uit Weseps muur.
De ligte roeischup klieft het nat,
   En strekt voor riem en stuur.

In 't eigen enge kielzog vaart
   Een roekloos krijgertal,
Vaarvan het koeltjen over 't Meer
   De leidsman wezen zal.

Zij kronklen langs den duistren plas
   Bedachtzaam sluipend voort:
Geen klotsend golfslaan voor den boeg;
   Geen rinklend staal aan boord.

Zoo zweeft, met schaarsbewogen vlerk,
   De stootvaik jagend om.
Zoo is de leeuw, die 't hert bespiedt,
   Tot hij zijn buit grijpt, stom.

Zij komen onbemerkt geroeid;
   Al nader, nader bij;
Waar Ypesloot aan 't water paalt,
   Met onbeveste zij'.

Het windje, dat hun koers bestiert,
   Verflaauwt niet onder 't land;
En leidt hen, door de schepen heen,
   Ten steilen oeverkant.

Doch hij, wien 't nogmaal gelden zal,
   Hoeft andermaal geen spoor:
Hij waakt ! Zijn hand is aan 't musket -
   Aan 't open luik zijn oor.

Zocht vruchteloos zijn vlammend oog
   Wat hem 't gerucht verried,
Als 't ritslend langs de ruigte SCHOOF -
   Als 't op de schoeijing STIET -

Nog tuurt dat oog: en 't rond der maan
   Vertoont zich weêr in 't blaauw;
En 't flikkrend spits van helm bij helm
    Doorboort den neveldaauw.

De brave Mierop telt ze niet !
   "Bourgonje !" roept hij luid.
,Bourgonje !" schreeuwt hij naar omlaag,
   Ten Blokhuisvenster uit.

Straks berst een dondrende echo los!
   Een dubble vlugt van lood
Kruist achter 't Blokhuis door elkaâr: -
   Wie voortdringt ijit ter dood!

Ter dood! door weêrwraak niet verzoet!
   En, wie de dood ontgaat,
Geen pad meer langs het smokend diep,
   Dat voor hem openstaat!

De kerker toeft den Vlugteling,
   Onredbaar afgesneên!
Men loert van Weseps torentrans;
   Maar derwaarts keert er geen.


Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina Ten geleide aan mijnen behuwbroeder Mr. J. N. J. van Mierop]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.