Aanteekening bij Odins Hela-Vaart

A.C.W. Staring Ik ben, in deze en de volgende Vertaling(Het Weefgezang der Walkyren), hier en daar afgeweken van degene, welke de Heer Westendorp, voor deszelfs bekroonde Verhandeling over de Noordsche Mythlogie, wel van mijn hand had gelieven aan te nemen. Gräters overzetting van het Weefgezang, mij later door de vriendschappelijke heuschheid van den Heer Hoogleeraar Lulofs medegedeeld, maakte mij den arbeid der Weefsters duidelijker, dan dezelve mij bij Herder en Gray was voorgekomen. Ook werd ik door Gräter versterkt in min begrip, dat, het rijmlooze, afgebrokene en wilde, in deze beide Skaldenliederen, de voorkeur verdiende boven sierlijke netheid; hoe hoogverdienstelijk deze bij Gray in zichzelve wezen mogt. Nogtans heb ik mij binnen zekere palen gehouden, en ook mijne verzachting in het derde vijftal regels van het Weefgezang laten bestaan: het Engelsch heeft hier getrouwer:
See the grisly texture grow:
'Tis of human entrails made;
And the weights, that play below,
Each a gasping warriours head.
Men kan over de beide stukjes voormelde Prijsverhandeling naslaan, op bladz. 446-47-48, en 575-588, Van Odins Hela-vaart en het hier onmiddelijk volgende Weegezang (beide uit Bartholinus genomen) vindt mijn tweederlei Vertaling door Herder uitgegeven: de eene in zijn "Ueber deutsche Art und Kunst.", de andere in zijne "Stimmen der Völker in Liedern"
Naar het gedicht.
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.