Kerkgezang voor het Feest van Jezus Opstanding

A.C.W. Staring

Zangkoor

I

Schoon U 'T GEZANG DER HEEMLEN prijz' -
Ons AARDSCH in zonde en zwakheid rijz' -
Versmaad, 0 God, het offer niet,
En heilig door uw Geest ons Lied

II

Jezus Schaar, in 't stof gezeten;
't Hart van jammer opgereten;
    Klaagt het Lijk des Heeren na,
    Daar het rust, bij Golgotha;
Ziet van nieuws den nacht verzwonden;
En geen balsem zalft haar wonden.

gemeente

III

(Evangel. gez. Nr. 24, vs. i.)

Als de nacht van bange zorgen
  't Uitzigt uwer hoop bedekt,
Als de lichtstraal van den morgen
Ons uit dezen nacht van zorgen
  Slechts tot nieuwe zorgen wekt:
Ach ! wie geeft dan nog voor menschen
  Troost in zulk een bitter lot?
Ja, aan d' eindpaal uwer wenschen,
Christen! staat er hulp voor menschen,
Staat uw Vader en uw God.

zangkoor

IV

  Hoopt! gij die hem sterven zaagt;
Die zijn Lijk in 't Graf zaagt dalen:
's Vaders woord, noch 't zijn, zal falen!
    Hoopt! De Derde Morgen daagt!

V

Gods Engel komt! Een stralengloed
       Omschijnt de rotsspelonk:
Het aardrijk beeft, dat Jezus bloed -
       Het bloed der Onschuld dronk!

De grafsteen wijkt voor Hemelkracht;
       De bleeke wachters vliênn.
Daar rijst hij, uit der dooden nacht,
       Die geen verderf zou' zien!

Triomf! hij won de zegekroon;
       Hij heeft den Dood vermand !
Haast praalt. in 't eeuwig licht, de ZOON,
       Aan 's VADERS regterhand !

(EERSTE RUST)

zangkoor

VI

Des Heeren voet, doorboord bij 't smadig lijden,
Verlaat het graf, het eindperk van Zijn strijden,
  En om hem juicht de morgenstond.
De nevel slinkt; hij ziet den Kruisberg glimmen;
Waar nu geen smart, geen wreevle haat meer grimmen;
   Waar kalmte heerscht, en vrede in 't rond.


Hoe zou' hem daar - hoe zou', met feestgezangen,
't Verzameld Koor der Englen HEM ontvangen,
   Die 't Rijk des Afgronds zwichten deed!
Maar toevend slaat de Helper Vol Genade
Haar die hem zoekt, in heur bedruktheid, gade,
   En stilt met blijden troost heur leed.

VII

Kent Magdaleen', - (voor allen uitgekoren,
    Dat zij van 't Wonder tuignis gaf!)
Kent Magdaleen', in droeven rouw verloren,
    De stem niet, die daar vraagt bij 't Graf:
"Maria!" spreekt Hij zacht; zij kent hem weder;
    Haar boezem voedt geen twijfel meer!
Zij valt ontroerd aan Jezus knieén neder,
    Staart op, en noemt hem haren Heer!

VIII

Al zwijgt voor ONS die Liefdetoon,
Wanneer wij twijflend sagen;
    Zijn oog blijft, van den eeretroon,
Op Adams Kroost geslagen.

    Hij toeft de Zijnen, ongezien,
Nabij de Doodsspelonken:
    Daar zal hij ONS het Leven bien;
't Is ons, in Hem, geschonken.

    Moog' de aardbol wentlen uit zijn baan;
Die hem volgt, zal niet dwalen !
    Moge aller zonnen glans vergaan;
Ons Licht zal eeuwig stralen !

Gemeente

IX

(Evangel. gez. Nr. '37, Vs. 5.)

     Jezus leeft, dit is gewis.;
Waar ons pad ook heen moog leiden;
     Zelfs geen magt der duisternis,
Niets zal ons van Jezus scheiden:
     't Steunen op zijn mogendheên,
     Dit is onze troost alleen.

(Tweede Rust.)

Zangkoor.

X

Hoe wordt een treurend hart bewogen.
    0 Jongren, als 't uw vreugd gedenkt !
 Hij staat verrezen voor uwe oogen,
    Wiens liefde boven bidden schenkt t
    De Mond der Waarheid faalde niet;
    't Is Jezus, dien gij wederziet.

Wat heil, de Dierbren weêr te aanschouwen -
    De Dierbren, ons vooruitgegaan,
Waarop, in weêrspoed. ons vertrouwen,
   Gelijk in voorspoed, vast mogt staan !
   Wier danklied mede In 't onze klonk;
   Wier wijsheid ons ten leidstar blonk!

Gemeente

XI

Evangel. gez. Nr. i82, vs. 4.)


Vrome, vroeggestorven vrinden!
  Slechts zijt gij mij wat vooruit;
'k Zal u allen wedervinden,
  Als ons Jezus 't graf ontsluit;
Eerlang zal ik met u rusten.
  'k Rijp al vast voor d' eeuwigheid,
'k Staar vast op die blijde kusten,
  Daar mij 't hoogst geluk verbeidt.

Zangkoor

XII

Kroont eens eindloos heil daarboven
't Moedig strijden - 't vast gelooven; -
Toeft ons eindloos heil daarboven,
     Hier op aarde, in hoop verbeid,
     Is 't, bij voorsmaak, zaligheid !

Stijg' dan 't Feestlied aller volken!
         Uit de wolken
          Galme weêr:
     Roem en dank zij onzen Heer!
     Halleluja! God, zij eer !

GEMEENTE EN ZANGKOOR.

XIII

    Ja! het klinke uit hart en mond!
't Lied van Aarde en Hemel stijge !
    Hef het aan, gij Uchtendstond !
Dat geene Avendscheemring zwijgel
    Juich, o Nacht, den Dag te moet:
    God zij eere! God is goed!


Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.