A.C.W. Staring

Puntdichten (17.. - 1820)

"Een kleinen Hamer, snel gedreven, heeft meer macht
Dan een zwaer Yzer dat maer op den bout geleght werd".

HUYGENS

GEENEN ONTDEKKING VAN HERSCHEL

(Uit Fransch van Padaillan verkort.)
"Weer nieuwe Maan?" riep Jochem "'k wou wat geven,
Zoo iemand zie', waar al die ouwen bleven!"
      "Dat 's klaar genoeg!" Sprak Koster Jan
          "Ze slaan er starren van."
1790.

AAN ADRAST.

Wat zwiert en tiert gij langs de straat;
Dat ieder van uw kuren praat?
Bijf thuis, of druk, als andren doen,
Een steekhoed op uw zotskaproen.

WOORDSPEL.

Flip heeft er, voor grof geld, den regter VLEUGEL staan;
             Nu moet er links een dito aan:
Thans VLEUGELS aan zijn Huis - laatst VLEUGELS aan zijn Stal!
             Hoe schoon dat alles VLIEGEN zal.
1789.
(vliegen voor schuld)

HUISKRAKEEL.

Piet Fop was met de Vrouw aan 't kijven.
Zij smeet hem, naar den aard der wijven,
       De sleutels naar den kop!
       Piet nam ze lagchend op,
En sprak: "mijn Kind, zak IK na dezen
De sluiter in dit Dolhuis wezen?"
1789.

SPREKENDE ROOK.

(Aristophanes, de wespen; vs. 136 enz.)

   Jaloersche Geurt kwam thuis, waar Jasper 't uur vergat,
   En malziek, aan den haard, bij 't snoepig Klaartje zat.
Geen schuilhoek, links nog regts! Jas door den nood gedreven,
Beklimt de schoorsteenplank, op Klaartjes rug verheven;
   Maar 't is te laat! Geurt komt! hij wordt de lont gewaar,
        Vliegt toe, en schreeuwt ment eenen:
      "Voor duizend" . . . (en zoo voorts) "wie daar!"
"DE ROOK!" roept Jasper - wint het hoog - en is verdwenen.

HEIN

Wat onze Hein van goeden smaak zal vinden,
 Behoeft de voorproef van zijn vrinden.
    "Als Hein trouwt" zei' een spreeuw
    "Zoo trouwt hij vast een weeuw."

DE D* VERTOOND.

(Uit het Fransch ontleend.)

   't Was kermis, in den Haag, en een gelapte guit
       Riep, voor een tent, met ijzren longen uit:
"Acht stuivers maar! hier moet het al voor wijken -
   Pinetti, Olivier en Philadelphia!
       Hier is - wie zag ooit wedergaa?
   De D* in persoon te kijken!"
       Naauw zweeg de snaak, als oud en jong -
  Als hof en burgerij zich in de tent verdrong;
Tot eindlijk stoel noch bank meer ledig was te vinden.
       Nu komt de Meester! - elk verbleekt!
       Hij trekt zijn geldbeurs-zucht-en spreekt:
  "Ik heb ze leeg! - dat is de D*, Vrinden!"

MYRONS KOPEREN KOE

(Vrij naar de anthologie)

Wat loopt gij dreigend op mij toe,
   Als hoorde ik bij uw vee?
Neen, Herder! ik ben Myrons Koe,
   En wil met u niet mee.

ONDER HET BEELD VAN AMOR.

(Naar een Fransch bijschrift.)

Geef Dezen - wie gij zijn moogt - eer;
 Hij wordt een, is, of was uw Heer.

VRIENDEN

(Uit Engelsch ondicht.)

Neen 't viel niet zwaar, zijn leven
Voor eenen Vriend te geven!
    Maar ligt viel 't zoeken zwaar,
Om, onder duizen Vrinden,
Dien EENEN Vriend te vinden,
   Die 't offer waerdig waar.
1790.

AAN K.

Is L. uw Vriend? Dat zulks toekomstig blijk'!
      Hij klimme in rang, of worde rijk.
1790.

OP EENEN KWAADSPREEKSTER

(Gevolgd.)

Met oogen, die als kolen branden,
   Sluipt Gudel rond, en spuwt venijn.
   Niets faalt haar, om een Slang te zijn,
Dan gladder vel, en nieuwe tanden.

AAN VROUWENSMADERS

Laat af, die 't Zwak Geslacht met bittre gal bespat,
Of gij verdiendet niet, dat gij een Moeder hadt.

OP HET BEELD VAN EENE SCHOONE VROUW.

(Door haar zelve in glas gesneden.)
(Naar Huygens.)

Charlotte, weggerukt, in 't bloeijen van haar leven,
            Sneed dus haar lief gelaat in glas:
   Haar eigen Beeld zou' ons te kennen geven,
            Hoe kunstrijk, schoon en broos zij was.
1789.

TEGEN ADAM.

Wat klaagt gij uw Mannin, als uw Verleidster aan?
Hij volgt te schandelijk, wiens pligt was voor te gaan.

HANS TONKA'S ZOON.

Hans Tonka's fiere Spruit kwam, van 't Bataafsche strand,
          Schatrijk terug in Zwabenland -
En kocht een Adelsbrief. 't Waar' beter nooit geschied!
       De HELM, op 't Wapen van den Kinkel,
              Herrinnert elk, die 't zien,
      Den SNUIFPOT, voor Vaartjes Winkel.
1788.

KLEANT.

Kleant is een Genie! wat meer respect, Mijne Heeren!
  Gelooft gij 't niet? hij zal 't graag zelf bezweren.

AAN EEN' VRIEND.

Houd op, ons eindloos ERNST en WAARHEID voor te zingen!
 Uw Lier heeft lang genoeg aan Thebe's muur gebouwd!
Laat Amalthea's kroost eens op haar toonen springen,
 En 't kopervoetig hert, uit Griekens tooverwoud.

AAN EEN' NAVOLGER.

        Alcest, wilt gij den Zangberg op?
Zoo rijd een eigen paard; geen huurknol haalt den top.
1789.

BEKROMPEN OORDEEL.

     Jaap ziet mijn werk, en bromt,
Als Cerberus! "Het wil hem niet behagen!"
'k Geloof den Man! 't is op geen leest geslagen,
     Die uit zijn winkel komt.

HET LANGE PUNTDICHT.

 Een boertig Heldendicht? ja! Rijmen zonder fout;
 En, aan 't gestolen slot, het eerste graantjen zout!
Herdrukt den Titel, om geen koopers meer te vangen:
 Voor HELDENDICHT, stelt PUNTDICHT . . . in TIEN ZANGEN.

AAN X

       Wat u smaakt hoeve ik niet te weten,
   Heer Zoïlus! gij hebt een kwade maag.
Wat, bij gezonde lien, goe mondkost wordt geheeten,
              Dat is 't, waarnaar ik vraag.

DUISTERHEID

    Krijn las, en zei', zoo tusschen waken
En dutten in: "dat - kon wel - klaarder zijn!"
            Voor die half slapen, lieve Krijn,
   Kan 't een, die droomt, slechts duidlijk maken.

HOMERISCHE VERMANING

(Illias; Zang I; vs. 197.)

 DWAALT MIJN GELIJK, ik zie 't lankmoedig aan;
Geene oogen, die op ONS, als op een voorbeeld staren!
 Maar zwiert EEN KLOEK VERNUFT moedwillig van de baan,
 En lokt zijn Volgers uit, om blindlings mee te gaan,
Ik trok het graag terug - al was 't ook bij de haren!

OP ORGON

     Heer Orgon heeft een wondre gaaf,
Om, wat een ander dicht, in eigen rijm te wringen.
Gelukt het Orgon niet, met Phebus ZWAAN TE ZINGEN.
   Hij STEELT, voor 't minst, met Phebus RAAF.
1789

VOORZIGTIGHEID.

                 Kies geen Partij,
              Of maak vooraf Bedingen.
Schaars houdt Verdedigd Regt zich gansch van Onregt vrij!
Nooit werd er Leer verbreid, of, bij haar Volgelingen,
           Schoot soms de drift haar doel voorbij.

OP COO, DEN REFORMATEUR.

    Coo smulde, tot hij hongren moest;
    Zijn keukenreeschap staat en roest!
Dit deert hem niet, in 's volks vertrouwen:
    Men zweert bij zijn specificum,
"Dat warring weert uit staatsgebouwen"
    En die geen SPIT te gang kon hou'en,
        Knoeit vrij aan 't Planetarium.

ZUCHT VAN EEN' BOER,

Ter gelegenheid van zekere publicatie, in 1800.

Men schenke ons BROOD bij "RUST", dan zijn de Heeren schrander;
Want die het eerste mist, kan dood zijn met het ander.

GEENE VERKLARING.

Een Vrager zat en vroeg - ik bragt mijn doen alleen,
Maar geen gedachten voor een regtstoel hier beneen!
't Was ver van Goa, - ven van Spanjes Quemadoren;
En gij, wien, op uw beurt, dezelfde Vrager vraagt,
      Zoo gij een zelfde "neen" laat hooren,
Komt ge ongebraden vrij, al is 't niet ONGEJAAGD.

AAN A. B. C. ENZ.

Hebt gij een Vaderland, zoo kleef niet aan een ander!
    Wees Gal noch Brit - wees Nederlander.

DOOP TEGEN DOOP

Gij noemt hem Camperduin, die, voor 't Bataafsche strand,
          Een mindre magt deed wijken.
Wij noemen CRABBENdam, die uit het Berger zand,
       Voor mindre magt ging strijken.
1799.

VERBODEN TRIOMPF.

Eischt harde pligt, dat gij een Vriend bevecht,
Verwin! - maar geen trofee blijv' tergend opgeregt.

Voor een afbeeldsel van den scheepsbevelhebber.

J.A. BLOIS VAN TRESLONG.

  Ik heb geen hand, om lauwren in te dragen,
            Gelijk een ander deed.
  Mijn Regter heeft een kogel weggeslagen,
    Op 't worstlen schip, dat ik den Brit omststreed!
De Linker moet, als rusten volgt op hollen,
Voor 't Nageslacht mijn Vonnis openrollen.

MARTEN VAN ROSSEM

't Was deez' toch, die een buit aan Hollands Leeuw ontstreed;
Het Sticht gebreideld hield; Parijs versagen deed;
En Brabands overmoed met wrekend vuur betaalde?
Zoo rijz' dan, Betuwers, een teeken voor den Held!
Of zwijgt, dat op uw grond hem 't eerste licht bestraalde,
En blijv' zijn Wapenroem door uw mond onvermeld!

AAN W.

Gij doet den menschen wel, en ondank is uw Loon?
    Getroost het u! gij deelt het met de Goôn.

SCHOONE SMART

O Gij, die zong "hoe 's Hemels Heir
Zich spiegelde in het effen meir"
Zie Chloë's minlijke oogen stralen,
    Door tranen, die heur hart vergiet,
En grijp de lier, en durf herhalen:
   "De Starbewoners weenen niet!"

DE DOOD.

(De geest van Gamberuccis sonnet "La Morte".)

O Stervling. 't eerst graf werd mij ten wieg gegeven!
Geen Slaaf - ontduikt, geen Vorst - tart mijner pijlen kracht.
Mijn naam wordt DOOD genoemd! maar, hebt gij deugd betracht,
Zoo heet ik dus voor u: DE GIDS NAAR SCHOONER LEVEN.

VERDRAAGZAAMHEID.

       Van 's Heeren Woord, in MENSCHENTAAL geschreven,
        Is 't regt verstand den MENSCH verbleven.
                Wie aan dat Woord den besten uitleg gaf,
                Onthult eens de andre zij' van 't graf;
Maar die zich grondde op 't Woord, en Broeders van zich stiet,
              Gewislijk, die begreep het niet.

HOLLAND

Gods Almagt wenkte van den troon,
En SCHIEP elk volk een land ter woon;
HIER VESTE zij een grondgebied,
Dat zij ons zelven scheppen liet.
1790.

BIJSCHRIFT

(voor mijne gedichten, in 1820 uitgegeven.)

Is 't weinig Dichterloofs, wat ik tesaam mogt gaaren,
     Gij Velden om mij heen (bedwongen woestenij!)
Vlecht pijngroen in den krans, en Ceres gouden aren;
     Dat hij mijn Vaderland een waardig offer zij.


Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[ Puntdichten (1820-1827)] [Pundichten (1827-1835)] [A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.