Puntdichten (1820 - 1827)

A.C.W. Staring

Het vroege kievitseit

  Piet Smul trad in de Schuit van Leyden op den Haag,
  En toefde bij het roer, terwijl een Maartsche vlaag
Verkeerde in zonneschijn; daar kwam een Knaap geloopen:
"Een Kievitsei! wie wil 't voor twee zesthalven koopen !
   ""'t Is vroeg   zei' Smul ""ik neem 't - voor één zesthalf."" "Zeg twee,
  Mijn Heer; ik geef u 't Ei in 't Mandje meê !"
 De koop lukt, en de Schuit wordt van den wal gestooten;
 Met roept de Knaap: "Mijn Heer, haast was mij iets ontschoten;
  Het vuur dient voor uw Ei niet al te hard gestookt;
  Ons Grootje heeft het al verleden jaar gekookt."

Naar Beaumarchais

 Coo, gek van jaloezie, kreeg eindlijk wat hij zocht:
Een waakschen Hond. Het beest valt 's nachts in 't honderd
Op ieder aan, de Vrijer uitgezonderd,
 Die Sultan heeft verkocht.

Het kanon te Lima

Men kwam in 't kofgijhuis te praten,
 Van zeker groot Kanon. Bereisde Roei nam 't woord,
 En sprak: "Ik zag weleer een Monster van dat soort
Zwol met zijn Lange Griet moest daar de kroon aan laten!
 Dit stuk (het hiette de Olifant)
Lag op den wal te Lima. 't Is verdwenen.
  Sinds ik dien hoek doorkeek. De grond heeft in dat land
Nooit rust, en slokte 't op. Gij moest geen blaaspijp meenen,
  Van zes Palm diameter! Zes
Goê Ellen was de ruimt' ! Verbeeldt u slechts, Mijnheeren:
Eens leit er de Pikeur mijn Normandijsche Bles
In traverseeren!

"Sterk! - zeer sterk !" riep hier Fop "maar ik kan 't attesteeren:
Bles kwam vòòrin - en ik - was àchterin juist druk
Aan 't meten van ons stuk 1
Het tramplen nadert - en bedreigt mijne eksteroogen; -
Gaan loopen is hier zaak - doch buiten mijn vermogen -
Als langs een vreemden weg! Ik maak, met ras besluit,
Den meetstok tot mijn pols, en wip het zundgat uit.

Het hondengevecht

Bereisde Roel zag op zijn togten
  Geweldig veel ! Twee Bullebijters vochten,
  Voor 't wijnhuis, in een kleine Poolsche stad,
  Terwijl hij juist aan 't venster zat:
"Zulk vechten, Menschen! - - Zij verslonden
  Malkander letterlijk! Met iedren hap, ging oor
  Of poot er àf - en glad als vet er dòòr!
Ons scheiden kwam te laat! wij vonden
  Het restjen: - op mijn eer,
   De staarten, en niets meer."

Jop Gil

De Methodist, Jop Gil, stond op een vat te preken:
  Hij blaakt, dat hij een ziel Voor Wesleys hemel winn',
  En stampt van drift; maar, ach, twee hoepels zijn geweken -
  De bodem zakt - hij schiet het okshoofd in !
's Mans laatste woord werd middendoor gebroken;
  Zijn rede niet ! Jop hield den leidraad vast,
En 't geen hij boven, tot verklaring, heeft gesproken,
  Wordt straks beneên, door 't bomgat, toegepast.

Het sterrenschieten

   Hein Simpel zag d' Oudstuurman Zweêr,
   Op zeekren avend, met een Sextant in de weêr.
Hij vroeg hem wat hij deed: "Ik was aan 't Sterrenschieten."
    ""Hoe? met dat koopren ding?""  "Ja; kijk; hier loert men door."
   Hein - 't oog aan 't glas! Een ster verschoot er voor,
  En hij borst uit: ', "Mag dat geen kaerlswerk hieten?
   Gij, die 't verstaat, troft nietmetal! en IK
   Schiet raak met de eerste mik!"

Aangebrand

  Aagt Morsebel nam kleinen Piet
In kost, en als het kind, te middag aangezeten,
  Haar soms zijn walging merken liet:
De vieze bijsmaak van heur knoeisels werd geweten,
  Aan kaarsvet, roet, noch snuif; 't was altoos : "Lekkertand,
  Wat zou' het zijn, als aangebrand?"
Nu kwam er eens een schotelvol groen eten
Te voorschijn, die Kok Aagt spinazie had geheten:
Hiervan kreeg kleine Piet zijn deel op 't bord gesmakt;
Hij roert er in; hij vindt twee achterpooten
  Van d' armen kikvorsch, onder 't warmoes kort gehakt,
En legt, met de oogen half gesloten,
  Zijn eetvork neer, tenvijl hij vraagt:
  "Heeft aangebrand ook voetjes, moeder Aagt?"

Jaaps laatste woord

- - - - - - video meliora, proboque;
Deteriora sequor.

 Jaap lag en stierf; de Zoon, meer naauwgezet
 Dan zijn Papa, stond ernstig neven 't bed:
"Denk, Vader, aan de Preek, die ik met u nog hoorde!
Denk aan den vuurpoel, waar de Rijke Man in smoorde!
Wat zegt gij - 't nieuw perceel, daar aan de steenen brug -
Gewonnen... met dien Eed ... geeft ge onzen Neef terug?"
""Gij hebt gelijk, Jan ! 't kwam mij ook al in gedachten;
Zulk Zweren heeft geen bon te wachten! -
Maar zulken Land! het puikje van de klei -
En voor ons melkvee juist de naastgelegen wei' -
Dat kroontje van den boêl, dien 'k in mijn rustarm leven
Voor u heb saamgewroet, goedschiks weer af te geven ! -
Gij voelt het zelf - dat gaat niet, lieve Jan! -
Hou' wat gij hebt - 'k zal lijden wat ik kan.""

Zonnevlekken

1824

Een Regen zonder eind verkeert al 't land in plassen.
  Gij vraagt er de oorzaak van: de Zon, werdt ons berigt,
  Kreeg Vlekken in 't gezigt,
En is, zoo 'k denk, aan 't wassehen.

Woord aan een' dief

   De Weleerwaarde Jan; 'k gis Jani Filius;
   (De een hiet hem zôd en de andre zus)
Stond op een dorp en had berookte Preken,
  En Kinders geen gebrek; maar 't groot artikel Geld
  Was vaak bij Jani schraal gesteld!
 Wat beurt er op een nacht: een Dief poogt in te breken
   De Huisheer merkt het, en roept luid, door 't bedgordijn
 Gij doet mijn slapers noodloos hinder,
   Goê Vriend! Vind IK hier niets bij vollen
 Gij vondt er, zonder licht, nog minder.

Goed overleg

In zeker Scheepsberigt stond veel van Waterhalen:
"Welk tijdverlies" riep Jan "om met die sloep te dwalen !
Zoo 'k Reeder was, ik zond geen schip in zee,
Of 't kreeg een Put, in plaats van ballast, meê."

ASSESSOR X.

  Schout Y. ging reizen; een Assessor deed het werk -
  Trouw in Diana's dienst, maar met de Pen min sterk.
  Was Huberts-dag; men jaagt; men schiet - links! - regts! Twee knollen,
  Die 't braakveld ploegen, op de loop!
  De Assessor overhoop!
Hij trekkebeent naar huis, van boosheid blaauwgezwollen,
  En schrijft een order, tot maintien van zijn respekt:
"Geen Paard zal zich verstouten weêr te hollen,
  Na publikatie! in- noch uit-direkt !"

GRAFSCHRIFT VOOR SANDER ONRUST.

Hier ligt een man, die altoos voorwaarts runde:
 Zijn leven was bedrijf - regeeren al zijn lust !
Wat hij zichzelv' en ons niet gunde
 Zij met zijne asschen - Rust.

Raad

  Gij hebt verdienste, en wenschtet voor uw Loon
Eer, of profijt? - Schreeuw! schreeuw luidkeels! Met zwijgen,
Mijn beste Maat, is niets te krijgen,
  Bij Opper noch bij Ondergoôn.

Puntdichten
op zijn Roemer Visschersch

I

Met haasten en reppen is Keesjen een Vent !
Eer IK halfweg ben, vliegt HIJ aan 't end.
Maar, door spoedig alleen wint de kok geen gunst:
Spoedig en Lekker  eischt de kunst.

II

 Aller eeuwen verstand heeft Louwtjen in pacht.
Over 't laag en 't hoog moet zijn wijsheid zweven:
Pas kan hij 't zijn doode Mama vergeven,
 Dat zij, buiten zijn raad, hem ter Waereld bragt.

III

  Roei Kras-pen titelt zich Advokaat:
  Gaauwdief en sluiper ontkomt door zijn raad;
Maar hij pleegt dien, voor appel noch ei, te verkoopen,
Want cijferen kàn hij! dàt zou' hij hopen!
  Hij zoekt "om te denken" de stilte in 't kantoor;
Slaapt; wordt wakker; zet een schuifraam open;
  En schnjft er vier vakaties voor.

IV

  De Ster, op de borst van den Braven Man,
Moest door de wolk van zijn needrigheid stralen.
En, wat geen zilver, geen goud mogt betalen,
  Daar spreekt de Gunst des Konings van.
Zòò strekt de Brave ten baak voor ons allen!
  Maar de Ster, op den rok van een Gek of een Guit,
  Lokt het regterlijk oog van de Menigte uit:
Dat schande en spot verpiettrend op hem vallen.

Aan een' schrijver

Het strekke uw moed ten spoor, doch mag uw Kroon niet wezen:
          Aan Seine, aan Teems, aan Rijn,      
            Vertaald te zijn.
Maak dat u, Onvertaald, Frank, Brit, en Duitscher lezen.

De lettereeuwen

 't Was de Eeuw van Goud, toen Vondel Heins vervong -
't Was de Eeuw van Goud, toen Smits met Hoogvliet zong -
En 't is weer de Eeuw van Goud, waarop wij thans braveeren!
Maar ...Goud! Goud! Goud! - tot driemaal toe, Mijnheeren?
 Een lijnregt front. waarin Drie Eeuwen staan!
 Niet zòò! - De Paarlen Eeuw brak na de Gouden aan;
En nu; ten spijt van Schoolpedanten.
 Vol koud Latijn en heete gal,
Nu zingen we enkel hemelval,
En juublen in de Diamanten !

Aan Pegasus

                 Pegaasjen, hou' eens stil!
                Ik ben geen vriend van vitten;
                 Ik zuiver slechts, uit goeden wil,
                Uw schoone manen van de klitten,
                 En lees de noppen uit uw staart:
               Laat Pluto 't haavloos kinhaar zitten,
                 Apollo scheert zijn baard.

Polijsten

   Gij zonen van Apol. die min doldriftig ijlt,
En 't warmgesmede Vers bedachtzaam koelt en vijlt.
     Gedenkt:  schoon 't Beerenjong bij Moeders lekken winn'~
     Als 't lieve Leven faalt, dat lekt geen tong er in.

Aan een beginnend dichter

Zulk roffelwerk zou' onverganklijk leven?
  Neen, Vriend! Geschoeid won Bilderdijk
  Het steil der Kunst; maar achter hem in 't slijk
Blijft GIJ met uw Fantoffels kleven.

Hoera

 "Is 't hòèra? is 't hoerà?"
Wat drommel kan 't u schelen?
  Brul, smeek ik, geen Kozakken na!
  Als Freedriks batterijen spelen -
  Als Willems trommen slaan -
  Blijv' Neêrlands Oorlogskreet "valaan !"
Waar jong en oud de vreugd der overwinning deelen -
  Bij Quatrebra's Trofee -
  Blijve òns Gejuich "hoezee!"

Op Plagiarius

  Heer Plagiarius vent zijn geroofden buit
Voor eigen goed; en, blijft de schelmerij verholen,
't Gaat zòò toe: die hij schrijvend heeft bestolen,
  Maakt hij bij elk voor zotten uit.

De langdradige preek

 Ik ging bij A. ter preek; Z., onder 's Mans gehoor
Meê luisterend, begint mij aan te stooten,
En mompelt: "Goede kost, maar met lang nat begoten!
 Men dient ze best op een vergiettest voor."

De leer der Ultra's

Bij Licht, en vrije Tong, schroomt Willem geen Verraders
  "Das mis!" weergalmt het, in de Buurt
  "De Bron van 't Licht dient toegemuurd;
De Troon bewaakt, door ...." stomme Heksenbraders.

Licht, vrije pen en vrije tong

"Neen"
-- KREKELZANGEN
Ja! Licht - voor Vorst en Volk! maar geen verkleurde stralen,
Van Frankrijks Ultra's, noch van Frankrijks Liberalen.
  Ja! Vrije Pen! maar - schrijft ze bij dat licht -
  Dan tot gehoorzaamheid aan Neêrlands Wet verpligt.
  Ja! Vrije Tong ! maar in bescheiden mond,
  Niet sijflend als een slang, niet blaffend als een hond.

Het paard van Napels

in 1821

  De kolder steeg den Ruin
  Van Napels in de kruin;
Men ging een Dokter halen:
  't Cauterium  werd g'ordonneerd;
Dàt Middel kòn niet falen !
 De naam alleen heeft Schimmel gecureerd.

Het paard van Napels

in 1825

Het Paard van Napels was door enklen schrik genezen:
Tom ging het wonder zien, en gromde: "wat zou 't wezen!
    Zulk doktren brengt de Kunst geen eer:
    Zijn Kolder is vergaan - zijn Slaapziekte is er weêr."

Het geredde Spanje

in 1823

 Laat waaijen de vlaggen van toren en plecht l
Het duister in Spanje begint al te klaren:
  't Geloof zal er heerschen! Wat pligt zij, of regt
  Wat waarheid of leugen - Toledo beslecht!
De galg te Madrid zal den wrok doen bedaren;
De Heilige Kas weer den Spaarpot bewaren;
  En, wordt aan 't Officie de Brandpaal ontzegd,
  Dan blijft toch een christelijk Bullengevecht
Steeds Nut met Verlustiging paren.

Verschillende Uitleg

   Een van dat Gild, dat blindlings knielen preekt;
   Van 't Godlijk Regt der Vorsten spreekt;
En sluiks hun aanzien poogt te ontwrichten;.
   Een van dat Gild stond in den kring,
   Waar Karels hoofd de Wonderzalf ontving,
En vlammend was de zon deed zwichten:
   Gejuich gaat op; een Vlugt van Duiven is geslaakt!
Doch zij vangt aan zich naar den Gloed te rigten,
   En wordt er smartlijk door geblaakt!
"Ziedaar" zegt onze Man "ziedaar het Volk, en 't voordeel,
Dat Licht en Vrijheid geeft!" ,' "De Tekst heeft, naar mijn oordeel,
   Een andren zin" "
   Is 't weêrwoord van zijn Buur " "IK vind er dezen in:
Licht, Vrijheid zijn de kostlijkste aller panden!
Maar zie, hoe 't ons vergaat, wanneer we, in kerkerwanden
   Bekneld, de vleugels slaan, en ons verbijsterd oog,
   Van 't Zonlicht af naar 't schijnsel toog,
Waarmeê valsch Kaarslicht staat te branden."


Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[Puntdichten(17.. - 1820)] [Pundichten (1827-1835)] [A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.