Een Dwaas begeert het gansche!, een Wijze weet, hoeveel
De Helft het wint van 't Heel.
Thyrsus-dragers bij de vleet Weinig die men Bachus heet.
De Broedhen warmde 't pluimloos kieken;
Een langen nacht den guren sneeuw getroost;
Tot dat haar 't vinnig snerpend oost
Het leven nam, bij 't ochtendkrieken.
Bloos, Procne, bloos, Medeê, als ge aan Cocytus boord.
Van deze Moeder hoort.
'k Verloor Theonoë. Zij liet heur droeven gaâ,
Tot troost, haar evenbeeld, een minlijk Zoontje na.
Het onbarmhartig Lot heeft me ook dat pand onttogen!
Maar gij, Persephone, betoon uw mededoogen
Den Vader en den Echtgenoot:
Leg zachtkens 't lieve Wicht zijn Moeder in den Schoot.
Verheft zich hier geen Bidplaats meer, 't Heelal is Tempel voor den Heer.
Uit nacht rijst morgenrood: Het leven uit de dood.
Verheft uw Oog, wie aan een grafsteê schreit: Keert stof tot stof, de ziel erft de eeuwigheid.
Geen afschrik bare u wat gij ziet:
Den Dood vreest hij die God vreest nieL
Roep smeekend God aan, in uw nooden, Maar voeg ook Daden bij 't Gebed: Geen trage strijder wordt gered; Den sagenden geen krans geboden. De Helper uit den hoogen staat Naast die zich zelven niet verlaat.
't Is Naarstigheid, die vroege kennis gaart; Ervaring is 't, die spade Wijsheid baart.
De rijpe Kennis hoort;
De onrijpe neemt het woord
De Meester, in zijn Wijsheid, gist. De Leerling, in zijn Waan, beslist.
'k Was jong en vroeg: Wie is de Vrije Man? Een Grijsaard antwoordde op mijn vragen: 't Is hij, die, zonder morrend klagen, Het onverkrijgbre missen kan.
Waarom uw Boek aan 't licht onttogen?
't Verschijn' gerust, al is 't niet groot:
Wordt Eikenschors bij 't pond gewogen,
Men weegt Kaneel bij 't lood.
Verbeeldingskracht en Geestdrift hiet ik VEEL!
Maar hebt gij voor, daarmeê Parnassus op te streven,
En is Gezond Verstand u niet tot Gids gegeven,
Gij dwaalt, den Berg voorbij, naar Geel.
Gij noemt dit HEMELVAL? II: acht het ledig schallen;
Maar keur nogtans den titel goed:
Ja! 't komt den hemel uitgevallen -
Zoo als het Sterrensnuitsel doet.
De stem des Tijdgenoots, die Dichters laakt of prijst, Velt menig vonnis, dat de Naneef anders wijst: Eens klonk de roembazuin Jan Vos, aan d' Amstel, tegen! Eens heeft zij, aan de Theems, van Miltons lied gezwegen.
Als Göthe, in 't spookgewoel dat langs den kerkhof zweeft!
Aan LIJKGERAAMTEN Hembden geeft,
Heet dit natuurlijk, bij zijn vrinden.
Ik zal 't met hen natuurlijk vinden,
Zoodra de Britsche kunst, op hooger trap geraakt,
Na 't water-proefde Vilt ook rot-proefd Linnen maakt.
Springt gij van 't regte spoor, ik weiger meê te springen,
O Göthe! Maar. hoe grootsch uw eerzuil staat geplant -
Op onbereikbaar hoog, ten spijt van volgelingen! -
Dat wees mij met zijn IJzren Hand
Vóór vijftig jaar reeds Götz van Berlichingen.
'k Ben oud, maar zal 't niet lang meer zijn ! 'k Heb van de Bron der Jeugd gedronken: Papa Jerooms Bourgonjewijn, Mij door zijn Dogter ingeschonken.
Ik hits de Levenden verkettrend aan elkaâr:
Ik trek de Dooden in hun grafstee nog bij 't haar,
En ga gerust langs straat; mijn arbeid is verloren!
Och, menschen, sloeg mij toch een heldre klink aan de ooren
Ten lange leste Martelaar !
Per Stoomkoets tien uur wegs in één uur af te leggen"
Slaagde op een IJzerbaan.
Aan gindszij van 't Kanaal. Een Ier mogt daar wel zeggen:
Kon' 't, met Sint Patrick, nog een zierijen radder gaan.
Dan kwam men eer men afreed aan.
"In één uur tien uur wegs !" Naar evenredigheid
Dient de Aardbol uitgeleid:
Gij Wachters met uw teleskopen,
Zoo ge een Komeet wat digt voorbij ziet loopen.
Eilieve, houdt den gast,
En brugt er ons aan vast.
1829
Een schaar boerinnen trok naar 't Gaslicht-Mikroskoop,
En keek zich de oogen uit: vrouw Neel stond bij den hoop,
Doch van verwondering droeg hààr gezigt geen blijken.
Ze erkende: ja! - 't was mooi;
Maar als men nu, in plaats van mijt of vlooi,
Haar vette varken eens met zulk een ding liet kijken!
Hoe groot zou' dàt niet lijken!
1835.
Toen, onder Brabands wal, de Diep-eg was verzwonden,
En haar een steekbrief nagezonden,
Hief Dis zijn knikker als een drijfton uit het nat.
Hij keek een hoop rond, die het drok met zoeken had,
En sprak: "Houdt op goê liên, te polsen en te haken,
Dat Sleepgerei, door de Onverschilligheid
Verwaarloosd, eer zijn Proef was afgeleid,
Heb IK benaderd, om den weg weêr schoon te maken,
Voor Charons boot, die dreigde grond te raken;
En - is de Vinding in zichzelv' misschien niet kwaad?
Of, dat het BRUNINGS (mijn Factotum voor die dingen)
Geviel, bij 't haspelwerk dienstvaardig toe te springen?
Genoeg! de Veerman zeit: ,HET GAAT!"
Hans-Worst van Hessen riep (als in de Leinestad Het markttooneel nog stond, waar hij patent voor had): Een Paard, getranslateerd in 't Hollandsch!" riep Hans-Worst En 't was een EZEL Die 't zich aantrok wees den borst Op een KALKOEN, en sprak: "zoo mijn gezigt niet dwaalt, Pronkt hier een Paauw, in uw Hoog-Duitsch vertaald."
Vanwaar, dat Frankrijk mee, wat J¨rdens uitschreef, leest?
Een Duitsche plompheid scheen den plompen Zwitser geest
Infelix eorum ignorantia, qui ea damnan!
quae non intelligunt"
"Wenn der Wassertropfen VOLLER LEBENSKRÄFTE ist müssen auch die Sonnen u. s. w. LEBEND seyn."
Volgt goeden raad, stokblinde Geologen: Strijkt WAGENERS Probate Zalf aan de oogen, En geeft dan acht, als de Etna zijn getier Weér hooren laat. Die pot aan 't overkoken Is middagklaar een Steenpuist, doorgebroken Op 't ligchaam van 'T GROOT WAERELDDIER.
Unsere Erde pflanzt sich fort, in ihrem FÖTUS, Mond genannt."
De Maan een Kind van de Aarde?" - Ik hou' zulks voor gewis! En dat het arme schaap zoo traag in 't groeijen is - Zoo bleek en lustloos zit te droomen - Zou' dàt niet van de Wormen komen?
1829
Vijf man, aan èènen hoop, nam ik alleen gevangen! Ik, moederziel alleen! Gij zult misschien verlangen Te weten, hoe dat ging? - Met wat beleid, hèèl glàd: Ik eischte ze op, toen ik Ze omsingeld had.
"Kaptein!" " "Waar zit je? Kom! dit bosch is niet te trouwen."
"'k Heb twee Gevangnen 1" " "Breng ze mee."
"Ik word door beide vastgehou'en,
En kan niet van de stee."
EEN ORDE VAN DE STER! Hoe weI bedacht, Mijnheeren!
Gij maakt daar, naar uw wijsheid, dan
Gelijk het 'hoort, een STAART-STER van:
Dit Beeld van uw Bewind laat gij in staal graveeren,
En wie, als gij, den schop aan alle braafheid gaf,
Dien drukk' men 't, rood gegloeid, op 't schaamtloos voorhoofd af
Ondankbre leugenaars, eedbreukigen, verraders En moorders noemt gij ons. Al hadt gij groot gelijk. De kortste weg ten doel ging door een beetje slijk ! Na tachtig jaren strijds erlangden eerst uw vaders Den vrijheidshoed: de zon ging éénen jaarkring rond, En op 't GLOORJEUZE vuil staat onze TROON gegrond.
Waar 't laatste glorielicht voor de Aadlerschaar verdween, Daar trof den Leeuw, die over 't slagveld brulde, Smaad van een fransche hand ! Wie noem ik laagst van tweên: De laagheid die hem schond, of die de schending duidde?
Le Cristianisme vient d'affranchir la Grèce,
et de mettre en liberté les Pays-Bas."
-- Essays histor. par DE CHATEAUBRIAND> Préf.
"De CHRISTENLEER heeft Belgenland
Geslaakt van Koning Willems keten."
Zoo galmde lest Chateaubriand,
En 't werd, in FRANKRIJK, voor orakeltaal versleten.
HIER, mag de CHRISTEN . . . huichelaar,
Noch trouwverkrachter zijn, noch dief, noch moordenaar.
Door Venturini en door Pölitz aangeklaagd,
Als ware 't mes bij ons gescherpt op Belgische ooren,
Krijgt 's Gravenhaag een strafsermoen te hooren:
Dra komt de Boetgezant uit Duitschiand opgedaagd.
Ik zie hem reeds vol vùùr de grenzen overstappen.
Hij meent het goed met u! vergeld dit, Hagenaar:
En lukt het hem. te Delft aan 't Gekkenhuis te ontsnappen.
Heb gratis Nieskruid voor hem klaar.
Uw hebzucht, Britten, en uw afgunst zijn voldaan:
Maar, Vrienden, ziet gij nu, langs open WATERBAAN,
Uw koopmanschap elks grenzen binnenstoomen,
Of tolvrij, over 't glad van IJZREN SPOREN, gaan;
Ziet gij, waar de eerestoel der Nassaus heeft gestaan,
Uw Spediteur tot Koning aangenomen;
Ei, ziet ook, op de Scheldezoomen,
Het Nest klaar voor den Franschen Haan.
Er staat een Spreuk gegrift, in Utrechts wal,
Daar, waar een arm van STEEN dreigt met een STEENEN bal:
"Bedreigen is geen treffen" staat er; -
Ook hem ten troost, wien IJZER dreigt of WATER.
Te pronken met VAN SPEYK? Daarvoor zie IK geen reden!
't Is klaar, dat hij te diep in 't glas gekeken had.
Een nuchtren mensch doet als wij Belgen deden:
Eer 't ernst wordt geeft hij 't op, of kiest het hazenpad.
Ga, Vlag van Albion, een Zuster krijg verkonden, Weleer voor 't snood Algiers aan uwe zijde ontwonden! Ga, voer de Britten aan, dat hun misbruikte moed In eigen ingewand, gelijk in 't onze, wroet'. Laat, pronkend voor u uit, de Fransche Wimpel zweven: Waar 't Regtsverkrachting geldt, zij de eerplaats HAAR, gegeven! Ga! - Neêrland zonder u, heeft nog dien Bondgenoot Die, als ge op 't ruim verscheent, zijn bliksem nederschoot.
Wien eedle trotschheid voege, u voegt zij, Nederland: Van Speyk stierf voor uw Vlag, en voor uw Vaan stierf Clant.
Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869
[Puntdichten(17.. - 1820)] [Puntdichten (1820-1827)] [A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan:
ljcoster@dds.nl.