De Radja's Dogter

A.C.W. Staring
  "Alla-Oed-Dien" Een stroeve Koningsnaam,
  Vriend Lezer! maar ik zorg, voor u en mij tesaam,
Dat ons dit hottentotsch niet verder zal bezwaren.

  De Koning, dus genoemd, hield, op de Paauwentroon
Van Delhi zijn gemak. Ofschoon
Bij 't kaauwen van zijn pinang, sedert jaren,
Ontwerpen van veel doen 's Mans geestvermoeijing waren.

  Thans stond er evenwel èèn plan uit honderd vast!
  Dat zou' volvoerd! Tweeledig was 't:
Het krijgszwaard in de vuist de waereld te overwinnen;
  En dan de Leer van Mahomet
  Daar uit te bonzen, door een nagelnieuwe wet,
Die met een Vrijbrief voor de Drinkers zou' beginnen.

  Maar onontberelijk, bij de Alexandersrol,
Scheen hem, aan de eerste plaats, een Thaïs, blank van handen,
Tot fakkelzwaaister, waar hij 't branden
  Meer grootsch dan 't sloopen vond. Hij had een Harem vol
Puiks puik; tesaamgezocht tot in de verste landen;
  Zijn Thaïs-ideaal was nogtans daar niet bij:
  Dat was een Radja's Kind; ten minste meende hij,
Op hooren zeggen af, geen ander kon' het wezen.

Alleen - wie ondernam 't, den Vader te belezen,
  Dat hij zijn Dogter gaf, tot honderd vijfde vrouw
Aan All...et cetera? - Den appel zijner oogen,
  Dat hij dien goedschiks geven zou' -
Hij! Prins, naar rang, en Koning, naar vermogen;
  Die daar in 't rotsgebergte een vest
  Ten Zetel had, gelijk een arendsnest!
Wie zoo iets hopen dorst vond zich gewis bedrogen!

  Wat raad? ja! goede is duur; maar kwade - inzonderheid
  Aan 't hof - kost niets, gelijk men zeit;
En naar een kwaden vroeg de Dehlische Alexander!
Ook bleek de botste domoor schrander,
  In dit cas; even als de traagste talm bereid,
Zich met het plegen van een snoodheid te belasten.

  De Radja, wist men, dreef het valken-wei-spel graag
In 't vlak: gewapenden, die op zijn gangen pasten,
  Besprongen hem, van uit hun hinderlaag;
En, ziet, de Jager kreeg - "edoch met leedbetoning,
Dat zorg voor 's Rijks belang den Koning
  Tot dit extreem gedwongen had" -
  In Dehlis welbemuurde stad
Een welgegrendeld huis tot woning.

  Straks ging er nu een hooge kemelvracht
Geschenken naar 't gebergte, en door twee Eergezanten
Werd, na 't ontpakken van hun paerels, diamanten,
  En goudstof en borduurselpracht,
  Het Huwlijksvoorstel bij het Meisjen aangebragt.
"Ontving zij 't met genegen ooren,
Zoo werd haar vrijheid voor den Radja toegezworen."

Na woord en wederwoord, die 'k u niet verg te hooren,
  Nam 't lieve Kind hun Boodschap in beraad;
  En wat verstaanbaar uit haar rozenlippen gaat,
  Als 't uur van wilsbepaling slaat,
Komt neder, op 't voldoen aan 't vorstelijk verlangen;
  "Mits" klinkt het slot, in vasten toon,
  "Mits, door haar Vader zelv' den Koning aangeboon,
De Dogter plegtig worde ontvangen."

  Ten vierde male was de dag sinds aangelicht:
  Hij ziet, terwijl in 't west zijn laatste flikkring zwicht,
Een langen sleep van bonte palankijnen
Met 's Konings Bruid voor Dehlis muur verschijnen.

  Slavinnen, Dienaars, op wier pronk
  Een gloed van honderd fakkels blonk
Die de avondschaduw deed verdwijnen
  (Het talrijk Staatsgevolg, dat zijn Meestres omgaf),
  Treen met haar onder 't dak van 's Radja's woning af.

En 's andren daags... was 't Bruiloft, zoudt gij meenen!
Doch gluurt, mijn vinger langs, eens naar dien bergtop henen:
  Wat wemelt daar? - 't Zijn Paarden, in den nacht,
  Uit 's Radja's arendsnest tot voor de Stad gebragt!
De Maagd - De Radja zijn 't! van dat Gevolg omgeven,
  Waarop het toortslicht blonk. Alleen, Slavinnendragt
Vermomt geen Krijger meer, en wapenloos gebleven
  Is slechts de Maagd. Het zwijgend uur der rust
  had Dehlis vest in diepen slaap gesust;
Daar traden ze uit! het staal geheven,
  Dat onder spreijen schuilde, of 't kostbre lijfstooi waar';
  Aan deze deur, noch poort, weerstond de wachterschaar;
En, ijlens vast in zaal en beugel,
Ging 't bergwaart met gevierden teugel!

  Maar een, die' 't hoofd op zij', zich achter de ooren krabt,
  Is de Alexander, wien zijn Thaïs daar ontsnapt:
Van spijt verzegt hij 't nu, de waereld te overwinnen,
En zet het Wetboek uit zijn zinnen.

Aantekening
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.