De schat

"Il n'est rien qu'on ne Conte en diverses façons."
-- DE LA FONTAINE.

A.C.W. Staring

aanteekening

    In zeker Hol, (men twist nog, waar)
    Sloot zeker oude Tooveraar
Zijn spaarbuil weg. Het rammlen van de schijven
    Kon slecht Verborgen blijven:
    Geld klinkt te luid! en niet te min,
    Het was in 't hol, en 't bleef er in;
Dank aan den holster, die het kostlijk pit omkieedde:
    Een Kej!
    Zoo rees er uit de Drentsche hei'
Geen tweede!
         
     Ten leste toch, het puik der Ridders kwam,
Om deze noot te kraken,
En dan, op nieuw krediet, weêr nieuwe schuld te maken,
     Naar 't erfgebruik bij zijn doorluchten stam.
Verheven boven mindre stervelingen -
     Vijf trappen hoog - hield eens de Bankroetier
Met onvoldane rekeningen,
     Het vuur te gang, waarvoor een sprot, drie, vier,
     Gespit aan zijn rapier,
Te braden hingen.
   Wat wil 't geval! De nieuwe stadscourant
Beschreef de zaak, en kwam, sinds weinig dagen,
Door lezers en door spellers voortgedragen,
   In 't naaste winkelhuis te land.
Hier werd zij om de visch gewikkeld,
   En steeg trapop.

                Schoon vrij nieuwsgierig van natuur,
     Voelt onze Man, in 't etensuur,
Zijn weetlust doorgaans min geprikkeld;
     Doch, zie! het weggeworpen blad
Vertoont van ver, met grooter letter,
     Het woordken SCHAT !
"Wat staat daar!" roept de Kok, en zet er
     Zijn spit bij af " een Schat! dien zocht ik juist! -
     Een Tooveraar;   een Steen, waarin een Spaarpot huist; -
Geen Reus! geen Lindworm ! - neen! De kans is dus te wagen'
     En, wat mij regt geeft . .  ."" om, met ridderlijke hand,
     Die prooi te ontvoeren, aan een boozen Nekromant?""
Zoo heil'g een roof. . ? hielp mij Sint Stoffel dragen!"
     Genoeg! de werftrom raakt te werk.
     Een hende, zeven gasten sterk,
Wordt, onder vaischen naam, in 's Ridders dienst genomen;
     Met hamers toegerust; ter wandling g'equipeerd;
Voorts . . . "Hou'" roept iemand "dit zijn droomen!
Waar kreeg hij 't Geld?" Het Geld - zou' uit den Spaarbuil komen:
     Daarop was alles ge'assigneerd.       
Maak plaats! zij gaan.
                       Hoe, vaak, in woeste velden,
     't Onzeker spoor
     Hen voor moerassen bragt - zich tusschen 't ruig verloor;
Hoe, beurteling, hen dorst en honger kwelden;
     Hoe, soms, op 't looverbed, in 't onherbergzaam diep
     Van 't woud gespreid, de storm hen wakker riep;
Hoe lang de weg hun viel; hoe zij de dagen telden;
     Daar zwijg ik van; 'wij zien de Grot; met een
     Den Troep, verzameld om den steen!
Hun Leidsman schijnt zoo half en half te hopen,
Dat, wat ten koffer strekt, als koffer is te sloopen.
     Gewapend met zijn bril, draait hij om 't keiblok heen
Hij tuurt omhoog, omlaag; hij krabt, aan alle hoeken,
     Naar voeg of reet; maar, ziet, hij vindt er geen !
Een wig drong nergens in; de moker dient te zoeken,
     Waar 't bersten wil, door blind geweld alleen.
Het dolst rumoer doet nu de bergkluis trillen
     Moog Vrij
     De Held, met zijn Cyclopenrij,
  Den tijd op diamant verspillen,
     Hun moed houdt vol ! 't Uitzinnig razen groeit
     Al aan, al aan! Een stroom van zweet besproeit
     Elk rimplend voorhoofd; de adem gloeit
In iedre borst; tot, na tien duizendtallen
     Van slagen, de eerste slag 't verborgen teeken raakt,
     Welks deugd den steen onkwetsbaar maakt!
Victoria! de hamers vallen
     Van stonden aan niet vruchtloos meer!
     Een regenbul van gruis komt neêr!
     Victoria! dat hol en veld weêrschallen!
     Het lijkt wel, naar den dunk van onzen Paladijn,
    Met dezen drup geen enkle jok te zijn; -
    't Lijkt ernst, wat, op zijn kruin, den scherpsten keizelregen
     Juist aan dien oord te samen drijft,
     Waar Doctor Gall de kwade zestien schrijft:
Doch ernst of jok, dit maakt hem niet verlegen;
Hij heeft den Schat, en nog iets toe gekregen.
     Eerst wordt de spaarbeurs onderzocht:  -
Rond afgepast, in gladde pistoletten.
     De kosten van den Togt!
     En, wat voor Toegaaf strekt, een pint Schiedammer vocht,
Om schramp en kneuzing meê te betten.

     't Mislukt veeltijds, door onbezuisde kracht
Fortuin haar gaven af te dwingen.
     Waar stille vlijt geduldig op baar wacht,
Kiest zij haar gunstelingen.


Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.