AAN DEN HEER MR. A.H. SPANDAW

A.C.W. Staring
Ja, Spandaw, 'k wil met lust genieten,
    Wat ieder Jaartij schenkt;
Tot 's levens leste teugjes vlieten,
    En de Onverbidbre wenkt.

"Laat Kus en Jok de zorg verpoozen;
    De Druif ons vreugde bien!
Urania doen WIJ niet blozen;
    Minerv' niet donker zien."

Zoo zongt ge! Ik ben niet traag gebleven
    In 't handlen naar dien raad;
Maar U als Dichter na te streven
    Eischt kunst, die mij ontstaat.

Weergalmt mijn Lier, zij leent heur snaren
    Tot geen vermeetlen kamp!
Als Phebus opsteeg uit de baren,
    Doofde Epicteet zijn lamp.

MIJN handvol kranke heidebloemen
    Zal ras na mij vergaan!
GIJ meugt op oogst van lauwers roemen,
    Die aan den tijd weerstaan.

Onthul van nieuwen gloed gedreven,
    Het schoon van nieuwe stof:
Gij hebt der Lente een krans geweven,
    Schenk ook den Herfst zijn lof!

Zie, zie hem op de heuveltoppen,
    Omglansd van wijngaardooft!
De lok, bezwaard met neveldroppen,
    Daalt achtloos van zijn hoofd.

Zijn blik staart op de vlakte neder,
    Waarover 't veldhoen trekt:
Hij grijpt weldra zijn pijlen weder;
    Daar hem de jagtlust wekt.

Verhef zijn prijs, met stouten toonen!
    Wij luistren naar hun klank.
Zing Dichter! Meer dan onze kroonen -
    Zijn Nektak geeft u dank!

Septbr. 1815.

Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina