A.C.W. Staring

Spoor aan den naneef

aanhangsel van de
Bede aan Mavors

'k Riep Mavors aan, te lang gesard;
Den Poelgod sloeg de vrees om 't hart;
    Hij week uit onze dalen!
Hij kwam den IJzren Wreker voor!
De hand der Onmagt dolf zijn spoor,
    Bekneld in enge palen.

O, had hij voor 't vermeesterd veld
Zich kampend in de bres gesteld!
    Hij moest, als nu, ook wijken;
Maar liet, door Hemelkracht betemd,
In minder slaafschen boei geklemd,
    Nog Godenafkomst blijken!

Wee hem, dien Zwakheid overmogt!
Hoe rekt hij daar zijn kronkeltogt
    Aamechtig door de zanden!
Zoo had geen Mavors hem verneerd!
Een Held wordt door een Held vereerd,
    Al klonk hem 't Lot in banden.

Wee hem! geen zeil, in top gezet,
Mag spelend op zijn bogtig wed,
    Een landmans oog verheugen!
Geen buit, dien 't rijpe woud ons gaf,
Vlot ooit zoo schaamlen ondiep af;
    Mijn Gouden Droom werd leugen!

Maar Gij, als nu de Hooijer juicht -
Het logge Rund zijn weelde tuigt,
    Waar een de baren gingen -
Als 't koude Leembed Oogsten draagt,
En 't Veenslijk ruischende Eiken schraagt,
    Dan kroont mijn Werk, Nakomelingen!
1804.