Inleiding door Nicolaas Beets

Nicolaas Beets

Gelderland is onder de nederlandsche gewesten in dichters niet vruchtbaar geweest; doch liet heeft zijnen Staring gehad, en deze weegt vele anderen op. Geldersman, zoowel door hart en inborst, als door geboorte, inwoning, grondbezit, heeft hy, in menige betrekking en door velerlei arbeid, maar vooral door zijne poëzy, voor de eer van dat gewest uitnemend zorg gedragen.

Zijne geboorte valt in de tweede helft der verleden eeuw. In hetzelfde jaar waarin Jan Frederik Helmers ter wereld kwam, zag ook Antoni Christiaan Wynandt Staring het levenslicht (1767). Zijn eerste optreden als dichter was in het jaar 1786. Bellamy y was dat jaar, Lanoy drie jaren vroeger overleden Bilderdijk was in zijn opgang; Feith in zijn kracht; Tollens een zesjarig kind. Nog klonk de harp van Van Alphen; en op nieuw de lier van van Haren.

Indien ik zeg dat Staring's optreden van het jaar 1786 dagteekent, reken ik dit van het in 't licht verschijnen zijner Eerste Proeven in Poézy. Een jaar vóór zijne bevordering tot Meester in de rechten aan de Geldersche hoogeschool, werden deze door den negentienjarigen student uitgegeven. Ik had hooger kunnen opklimmen. Aan baardelooze priesters heeft het den baardeloozen Apol, in spijt van geparuikte beoordeelaars, nooit ontbroken. De jonge Staring had reeds in zijn vroegste jeugd latijnsche, en ook nederduitsche gedichten gemaakt en reeds vóór zijne inschrijving als student, had het Dichthevend Kunstgenootschap in de Hofstad, onder de zinspreuk: Kunstliefde spaart geen vlijt, den zesbenjangen knaap, niet alleen door het goedkeuren van een paar zijner gedichten, ter plaatsing in de sedert 1775 jaarlijks verschijnende genootschapsbundels, maar ook door zijn benoeming tot Medelid, zijn gunstig welgevallen doen blijken. In dit opzicht spaarde Kunstliefde ook geen Haast. De stukken waren zwak, maar toonden aanleg; inzonderlijk dat, hetwelk de Aardbeving te Messina bezong.

De Eerste Proeven in Poëzy verschenen onder het motto:

Qui Pythia cantat
Tibicon, didicit prius, extimuitque magistrum
en in de bescheidene Voorrede gaf "de Maaker" zich te kennen als "een nauwlyks negentienjarig Jongeling, in eenen kring levende, waarin hy aanmoediging, goeden raad en berisping miste, en die zijne eerste proeven alleen in het licht gav, om uit het gunstig of ongunstig oordeel van het publiek te zien wat hem te doen stond." De verzameling was klein en behelsde niet meer dan een veertiental stukjens, waarvan drie Romances, en verscheidene Erotiesch. Adolf en Emma, Ada en Rijnoud., het laatste naar aanleiding van Goldsmith's vermaard Turn, gentie hermit of the vale; zijn in hun eersten, ruwen vorm reeds hier te vinden, met menig ander stuk, hetweik zich de Dichter ook in de laatste verzameling zijner gedichten (1836, 37) niet geschaamd heeft, en daaronder ook de zoo uitnemende coupletten Na eene zware Krankte. De zachte gewaarwordingen van een jong, rein, godsdienstig en verliefd gestemd gemoed spreken ons van bladzijde op bladzijde toe. Er is weekheid, maar niet naar de mate der Julia's, en der Fanny's. Taal en Dicht, ofschoon onder Staring's oog en hand, als later gebleken is, voor groote verbetering vatbaar, onderscheiden zich reeds in menig opzicht loffelijk boven vele voortbrengselen van dien tijd. Het bundeltjen wordt besloten met een Wensch die nimmer herdrukt is, maar waarvan de Lezer oordeelen mag, in hoever hy vervuld is geworden, terwijl hy hem tevens in de gelegenheid stelt te zien, boever de negentienjarige het in het behandelen der dichterlijke luit had gebracht, en welk een geest hem bezielde:

Ach, hoort het Lot mijn' wensch, vertederd door mijn smarte,
Dan blede ik u mijn vlijt, eenvoudig Landvolk, aan;
'k Zal dan, in 't vreedzaam veld, voor u alleen mijn harte
          Met zoete zorg belaan.

Daar zal geen schittrende Eer mij blinden met beur straalen, -
Daar zal geen gloeiend goud mij lokken door zijn' schijn;
Gij bosschen van mijn erv, gij akkers zult de paalen
          Van mijn begeerte zijn.

Mijn Lier, daar zult ge alleen voor 's Landmans ooren toonen,
Tot roem van Dien, Die 't ooft der vrugtbren boomgaard schenkt, -
Van Dien, wiens gunsten 't veld met schuddende airen kroonen, -
          Wiens daaw de velden drenkt.

En zo 'k erkeutnis dan zie gloeien op zijn wangen, -
't Naar God geslagen oog eens heilge traanen schreit, -
Dan sterv' met mij mijn lied - dan gun ik andre zangen
De kroon der eeuwigheid!

Aldus zong de Dichter in 1786. Met groote welwillendheid schijnen zijne Eerste Proeven niet opgenomen te zijn geworden. Een der kunstrechters van die dagen betitelde ze met den naam van "onrijpe vruchten". Staring deed er zijn voordeel mede, en betuigde, als hy vijf jaren later met een nieuw bundeltjen optrad, niet veel van dit harde oordeel te verschillen.

Het nieuwe bundeltjen droeg den titel van Dichtoeffening en op den titel het motto:

Die nooit wil kwalijk doen, die slaape nacht en dag.

(Huidekoper)

Dit motto en drie aanhalingen uit J. J. Rousseau, ter plaatsvulling op de inhoudsopgave volgende, en welke "sommige lezers vriendelijk verzocht werden niet over te slaan" toonen dat de nu vierentwintigjarige jonge man nog niet geheel over de onvriendelijkheden zijner vroegere berispers been is. Doch het geheel is eene schoone wrake. Alles getuigt niet alleen van oefening, maar van vordering, aanrijping, uitbreiding van gezichtskring en toeneming in kunstvaardigheid. Inderdaad, geheel de toekomstige Staring komt hier te voorschijn; de Dichter, by voorkeur, van Vertellingen, Zangen, Puntdichten; want dit zijn de rubrieken der nieuwe verzameling, die, hoewel grooter dan de vorige, toch: ook dit is karakteristiek; nog altijd klein is. De Verteller dien wy hier zien optreden, heeft ook later de zelfkennis nimmer verloochend, die reeds hier' in de keuze van zijn motto van Jermingham spreekt:

By others, blest with genius's rays,
   Let noble acts be told.
While I, content with humbler praise,
   A simple tule unfoldl

Hy heeft Cats gelezen en herlezen, en weet hem meesterlijk in zijn toon en trant, by eigen zout en geest, na te bootsen. Hy heeft van hem geleerd een smakelijk verteller te worden; maar voor Catsiaansche langwijligheid zal hem ten allen tijde die Starings natuur behoeden, welke hem, in het Puntdicht niet alleen, op dien Huygens gelijken doet, wiens

Een kleine Hamer, snelgedreven, heeft meer macht
Dan een zwaar IJzer, dat maar op den bout gelegd wordt,
uit Zijne ziel geschreven is.

In de Zangen begroet men met vreugde den Nederlander, die, al beeft hy ook in den vreemde gereisd en by vreemden ter school gegaan, geen schade geleden heeft aan zuiverheid van moedertaal of vaderlandslievend gemoed; den Geldersman, die "de bosschen cn akkers van zijn erf" thands in bezit heeft genomen en voor geldersche ooren geldersche liederen wenscht aan te heffen: den Muzikalen dichter, wien het niet onbekend is welke schatten van welluidendheid schuilen in de spraak van dat volk, hetwelk, gelijk in de meeste andere opzichten, ook in zang en toonkunst de andere volkeren van Europa is vóór geweest; wiens hoogste eerzucht het altijd geweest is, fransche en hoogduitsche liederen, door echt nederlandsche van de lippen der natie te verdrijven, en die, Zoo hy in zinrijkheid minder van Huygens gehad had, wellicht door zangerigheid de Béranger van Nederland had kunnen worden. Dat hy ook alzoo altijd een Nederlandsche Béranger zou geweest zijn, daarvoor strekt de reine, strengzedelijke geest, uit welken u de hier reeds onder den titel van Tegen het Equivoque voorkomende Jamben gevloeid zijn, ten nooit verloochenden waarborg.

Doch ook verraadt zich reeds in deze Dichtoeffening de zee by uitstek keurige Staring, dien men later heeft leeren kennen; de man van wien men in de Nieuwe Gedichten (1827) lezen zou

    Pegaasjen, hou' eens stil
Ik ben geen vriend van vitten;
    Ik zuiver slechts, uit goeden wil
Uw schoone manen van de klitten,
    En lees de noppen uit uw staart:
Laat Pluto 't haavloos kinhaar zitten,
    Apollo scheert zijn baard.

Immers onder menig stukjen komen hier twee Jaartallen voor "waarvan", zegt de Dichter in zijne voorrede, "het eerste aanduidt wanneer het is opgesteld, het tweede wanneer het overgezien, uitgebreid of wel geheel hergoten is".

Behalve Vertellingen, Zangen, Puntdichten en het Heheldichtt wilt gy met Bilderdijk de Zedelijhe Gisping) tegen het Equivoque, in rijmlooze Jamben, vindt men in deze Dichtoeffening, als proeve van oefening in ondicht, een tweetal Brieven. Zy geven ons den indruk van grootendeels, om den wil der ingelaschte fragmenten in dichtmaat, geschreven te zijn, maar zijn, behalve om den geest en luim waarvan zy getuigenis dragen, reeds als proza van 1787 en 1790 allermerkwaardigst.

Zoo wel als deze Brieven zijn, is het meerendeel der Gedichten in dit bundeltjen voorkomende, in latere verzamelingen herdrukt, Ten opzichte van andere, welke de Dichter deze eer onwaardig gekeurd heeft, is het ons niet altijd gelukt de overwegingen na te gaan waarin dit vonnis zijn grond had. Wil men een proeve zien van wat onze Dichter reeds vóór 1790 op het punt van dictie en versificatie leveren kende, men sla in de tegenwoordige uitgave de dichterlijke schildering van den Waterval op, die in den Tweeden Brief voorkomt. De herziening van 1836 heeft slechts één, één enkel woord aan haar te veranderen gevonden.

Maar de dichterlijke jongeling had in de Dichtoeffening geenszins den gantschen inhoud van zijn portefeuille uitgestort. Meer dan één uitnemend stukjen, dat latere bundels versiert was in l790 reeds geschreven, en wachtte op nadere beschaving om de stof te helpen uitmaken veer een "vervolg" dat in de Veorrede beloofd werd, maar - dertig jaren uitbieef.

Het was niet voor het jaar 1820 dat twee groote octavo boekdeelen, naar den goeden Stijl van die dagen "op best schrijfmediaan" en met den gegraveerden titel Gedichten" van A. C. W. Staring hun plaats en rang kwamen innemen onder hunne talrijke gelijken van Bilderdijk en Echtgenoote, Feith, Kinker, Tollens Loots. De Dichter, nu reeds een man van meer dan rijpen leeftijd, drie-en-vijftig jaren oud, had in de dertig jaren die sedert de uitgave zijner Dichtoeffening verloopen waren, in veelvuldige betrekking zijn Vaderland en meer bijzonder het Gewest zijner inwoning door zijn kunde en deugd gediend; hy had zich als man van wetenschap en landhuishoudkundige doen kennen en eeren maar was als dichter op den achtergrond geraakt. Want een Lied van Nederland op de wijze van het Wilhelmuslied in 1816 in het licht gezonden, en de tekst eener Cantate by de viering, te Lochem, van het Hervormingsfeest in 1817, door hem geschreven en uitgegeven waren wel niet voldoende om de aandacht op hem te vestigen in een tijd, waarop ten volle toepasselijk was wat zestien jaren later gezongen werd:

Naauw zijn de persen
  Koud van een bundel poézy,
Daar gaan weêr verschen
  Ter drukkerij.

De Dichter zelf scheen, tegenover dezen overvloed min of meer door een gevoel vann armoede gedrukt te worden. Althands hy gevoelde behoefte van zijn titelvignet, deswegen te verschoonen. Dit titelvignet toonde een krans van dennenloof, korenairen en lauwerblad, doorvlochten van een lint, waarop de woorden Aan het Vaderland gelezen werden. Het byschrift luidde aldus:

Is 't weinig Dichterloofs, wat ik te zaam mogt gaâren
  Gij Velden om mij heen, (bedwongen woestenij!)
Vlecht Pijngroen in den krans, en Ceres gouden aren;
Dat hij mijn Vaderland een waardig offer zij.

Trouwens, indien zijne bescheidenheid het had toegelaten de Dichter had zich nog op andere diensten aan het Vaderland kunnen beroepen dan die hy het door ontginningen en waterafleidingen in den omtrek van zijnen beminden Wildenborch bewezen had en onder deze niet het minst op de vorming van een viertal zonen, allen bestemd dat Vaderland van nut te zijn en tot eer te verstrekken, maar die daartoe tot op hun veertiende Jaar geen andere onderwijzers dan hunne ouders hadden gehad of behoefd. En om de geheele waarheid te zeggen, wy kunnen niet gelooven, dat al hadden deze wettige verschooningen hem ontbroken, de Dichter zoo heel beschaamd zou geweest Zijn over zijn "weinig Dichterloofs". Daartoe was hij te zeer de man van het Non multa sed multum der Ouden en van zijn eigen epigram, Aan een te zedigen Schrijver:

Waarom uw Boek aan 't licht onttogen?
 't Verschijn' gerust, al is 't niet groot:
Wordt eikenschors bij 't pond gewogen,
 Men weegt kaneel bij 't lood.

Volgens het "Voorberigt", kwamen de nieuwe Bundels in het licht om de Eerste Proeven en de Dichtoeffening te vervangen. In de eerste plaats behelsden zy daaruit eene, edoch zeer herziene en dikwijls nog weder geheel "hergotene" bloemlezing, waardoor tevens het vonnis vali "onrijpheid" of "geheele verwerpelijkheid" over al het niet opgenomene geveld werd. Het overige, een tachtigtal grootere en kleinere stukken, was de keur der vruchten van een dichterlijken arbeid in dertig jaren, waarvan naauwelyks een enkel in poëzy geheel onvruchtbaar was geweest.

Het Kerkgezang bij de vierinq van het derde Eeuwfeest der Hervorming is in de Gedichten niet opgenomen. Alleen vindt men in de inhoudsopgave een enkel couplet van het schoone Andante:

Eenvoud siert weêr 't Huis des Heeren
  Demoed zoekt en vindt daar licht.
't Oog van die daar troost begeeren
  Is op God alleen gerlgt.

Geen gelofte baart meer rouwe
  Bijgeloof geen dwaze vrees;
't Vrij gemoed kweekt vaster trouwe.
  Dan uit dwang en knechtschap rees.

Eigenkwellings iedel praten
  Wraakt geen spijs en plengt geen bloed.
Dien zijn zwakheid af doet dwalen
  Valt met tranen God te voet.

Maar de goede uitvoering dezer Cantate had den voor toonkunst niet minder dan voor dlchtkunst blakenden Zanger, en die "de gezamelijk uitgesprokene godsverheerlijking, gunstafimeeking, dankzegging of schuldbelijdenis; dat is: het Gezang! voor het plegtigste van de eigenlijke Godsdienst" in de kerken der Protestanten hield, tot het schrijven van een viertal andere aangespoord om by de hooge Kerkfeesten te dienen; en deze vinden hier haar plaats. Ongaarne zou men ze missen, al ware het alleen om den wil der kernachtige, diepgevoelige regelen, waarmede de van heiligen ernst doordrongen Vader deze stukken aan het Zevental opdraagt dat met de verwachting van een achtste pand, zijn vaderhart verblijdt; een "liefdeteeken" voor dit Kroost niet minder vereerend dan voor den Vader, en waarvan het distychon:

God blijve uw schild ! uw paden rigte Hij
Het dreigend en het lokkend Kwaad voorbij.
onvergetelijk is.

Maar ook, deze Kerkgezangen zelve, hebben zeer veel schoons. Het Zangkoor op het Kerstfeest, "Judea slaapt" met de treffende regels

hij komt; maar, ach! het ijdel zelfbedrog
Vindt Jezus Kribbe, en zoekt den ileiland nog!
ja voortreffelijk; maar het echt Vondeliaansche
Gods paleis ontslult zijn deuren;
In het Zangstuk voor het Kerkfeest van Jezus Hemelvaart is verrukkelijk en alleen een bundel waard. Wy moeten de waardeering van gedichten als deze uit een toonkundig oogpunt, aan toonkundigen overlaten. Zy alleen kunnen beoordeelen in hoe verre Staring al of niet aanspraak heeft op den lof door Sismondi aan Metastasio gegeven: "de evenredigheid der gedachten met den zang is Zoo kunstig bewaard, dat nimmer een beeld, een gevoel aan den toonkunstenaar aangeboden wordt, hetwelk niet geschikt is om door den zang te worden ontwikkeld, en niet volkomen welluidend"; maar zeker vinden wy by den Italiaan geen heerlijker verzen dan, deze, en evenmin komen zy voor in de Cantate van den achtenswaardigen vaderlandschen Zanger
die zong "hoe 's Hemels Heir
Zich spiegelde in het effen meir"

schoon deze ontegenzeggetijk de verdienste heeft in dit vak den weg gewezen en een voorbeeld gegeven te hebben het welk zonder twijfel, reeds in zijn jeugd, Op Staring indruk had gemaakt. Nog drie ongewijde Cantaten, Ariadne, Voor liet Natuurkundiq gezelschap te Zutphen, en De Zee komen desgelijks in deze dichtverzameling voor; laatstgenoemde hier nog in haar eigenlijken Cantatevorm, dien zy onder nadere herziening, by groote veranderingen, ook wat den inhoud betreft, met een oog veeleer op declamatie dan zang, grootendeels verloor.

De rubriek Verhalen is in deze bundels rijk. Merkwaardig zijn onder degenen die hier voor 't eerst voorkomen, om den gekozen Idyllenvorm, De Vorstin in het dorp en De Tuchtiging der Algerijnen, het laatste in het Boeren Zutfensch, en een meesterstuk van naïveteit. Onder de Romancen schittert de Zutfensche Vertelling Het Vogelschieten, waardige, ja my dunkt overtreffende wederga van Bellamy's vermaarde Zeeuwsche vertelling, uit; doch zeer belangwekkend is ook De Verjaardag, onder de leuze "sermoni propiora". Hier werd voor Nederland een nieuw gebied betreden; het gebied eenigermate van de Louise van Voss en Göthes Herman en Dorothee; bet gebied van het hedendaagsch huisselijk tafereel sedert in Messcher's voortreffelijke Gouden Bruiloft zoo zeer tot eere gekomen. Staring koos hier echter noch den klassieken hexameter, noch den rijmenden Alexandrijn, maar de rijmlooze vijfvoetige Jamben, zonder twijfel oordeelende dat hunne soberheid best in overeenstemming was met het zedige van het onderwerp. En voorzeker, hier kon "eene teekening met niet meer dan drie tinten gewasschen" de voorkeur verdienen boven eene kleurige schildery.

In het Mengeldicht, dat ongeveer een derde van deze Bundels inneemt, zien wy den gelukkigen Echtgenoot en Vader, den kundigen en bezigen Buitenman, den warmen Vaderlander, gullen Geldersman, vriend van zang en gezellige vreugde, den man van verstand, karakter, algemeene kennis en helder doorzicht, dien de drieëntwintigjarige jongeling beloofd had, zich geheel afspiegelen. Hier zijn vaderlandsche zangen zonder luidruchtigbeid of valschen ophef, liefdetoonen zonder weekheid, huisselijke liederen zonder gemaaktheid of zoetsappigheid ; hier hoort men, van elke bladzijde, den man die voor zijn leven en zijn lied geen anderen tooi dan dien der "Eenvoudigheid" begeerd heeft. Het stukjen waarin deze wensen uitgedrukt wordt, en dat reeds van het jaar 1793 dagteekent, is hier een der schoonste (Aan de Eenvoudigheid, met herdenking, Aan mijne Gade, De Israëlitische Looverhut, De Winter. In verzen als Aan Favonius, Zefir en Chloris weet men niet wat meer te bewonderen de onvergelijkelijke melodie der klanken, of de fijnheid en bevalligheid der uitdrukking. In het gedicht Aan mijne Dennen zien wy de naauwkeurigste kennis met de dichterlijkste opvatting gepaard. Hetzelfde mag men zeggen van het stukjen getiteld De Haarrook (de Veenrook;) maar om dit geheel te kunnen genieten, heeft de lezer de bygevoegde Aanteekening te veel noodig; een bezwaar betwelk ook op het vol genot van menige Romance drukt, waarvan het onderwerp aan de oude geschiedenis van Gelderland ontleend is. Niemand heeft ooit den Herfst, tegelijk met losser, juister en minder trekken, plastischer voorgesteld dan Staring in het hier voorkomend echt Horatiaansche lied Aan Spandaw:

Zie, zie hem op de heuveltoppen,
    Omglansd van wijngaardooft!
De lok, bezwaard met neveldroppen,
    Daalt achtloos van zijn hoofd.

Zijn blik staart op de vlakte neder,
    Waarover 't veldhoen trekt:
Hij grijpt weldra zijn pijlen weder;
    Daar hem de jagtlust wekt.

Ziedaar regels, wel geschikt eenen Phydias of Thorwaldsen te doen grijpen naar den beitel!

De twaalf jaren, welke op de uitgave der twee Deelen Gedichten volgden, schijnen voor Staring de vruchtbaarste in poëzy of althands die levensjaren geweest te zijn, waarin hy zich meer dan vroeger aan hare beoefening wijden kon. Immers leverden zy de stof voor even zoo vele dichtbundels als zijn gantsche vorige leven. Geen wonder. De opvoeding van zijn achttal was voltooid of voltooide zich; de kring der Openbare werkzaamheden begon zich in te krimpen; het Huis en de gronden van den Wildenborch behoefden nog wel steeds het waakzaam oog des meesters maar vereischten niet meer zooveel werkzaamheid en inspanning als tot hunne herschepping, vroeger. In het jaar 1827 verscheen een bundel Nieuwe Gedichten, in 1832 Winterloof, Poëzy van A. C. W. Staring. In beiden was de auteur tot het zedig en beknopt formaat zijner eerster Dichtproeven teruggekeerd, en inderdaad, dit stemde veel meer met zijne eigenaardigheid overeen. Starings Gedichten in 1890 uitgegeven, schijnen geenszins dat onthaal gevonden te hebben, waarop hunne innerlijke voortreffelijkheid ze aanspraak gaf; maar het was waarschijnlijk zijne grootere bedrijvigheid op het gebied der fraaie Letteren, welke hem kort na de uitgave van de Nieuwe Gedichten op zijn zestigste levensjaar, het lidmaatschap van de Leidsche Maatschappij, en drie jaren na die van zijn Winterloof den achtenzestigjarigen grijzaad dat van de Tweede klasse van het Instituut (voorwaar! vrij wat bedachtzamer dan weleer Kunstliefde spaart geen vlijt) deed verwerven! De Redacteur van den Muzenalmanak had zijne beeltenis reeds in 1825, naast die van Kinker in zijnen Zevenden Jaargang geplaatst.

De Nieuwe Gedichten bestonden wederom voor het grootste gedeelte uit nieuwe Verhalen, hetzij in den vorm der Romance hetzij in dien der Vertelling. Onder de eersten muntte Nichtje Rijk door Moncrifsche naïveteit, onder de laatsten De twee Bultenaars door de geestige schildering boeiende trant en luimige wendingen uit. Misschien hebben wy hier in dit vak, Starings meesterstuk voor ons. De afdeeling Mengeldicht is niet zoo rijk en schoon als in de Gedichten, doch,

In 't gedruis des winds verloren;
  Over 't woelig ruim der Zee,
Laat zich Ada's harptoon hooren;

en de laatste vijf coupletten van de zachtweemoedige klacht der vorstelijke achttienjarige, behooren tot het keurigste dat ooit uit de pen van dezen Dichter is gevloeid. En wie heeft aan het graf van Feith een schooner, gevoeliger hulde gebracht dan de nu zestig jarige man, die het niet vergeten heeft dat het de hand van dezen Dichter was die, voor veertig jaren,

          de Citer hulprijk spande,
Die 't stil genot van [zijne] Jonkheid was,

en in wiens geest, by dit graf, de tijden weder opkomen dat de Zanger van den Messias hem de grootste der Zangers scheen?

De rubriek Puntdichten heeft in de Nieuwe Gedichten meer actualiteit dan in vorige verzamelingen, en de geest van Staring raakt hier met dien van Bilderdijk in botsing. Die Op zijn Roemer Visschersch zijn de minste niet. "De Ster, op de borst van den Braven Man," doet ons denken hoe wel die op de borst van Staring zou gevoegd hebben, en hoe gemakkelijk hy die kan ontberen.

BlANCO IL MENTO TOCHERO LE CORDE USATE
('k Zal grijs van kin 't versleten snaartuig tokkelen)

stond in een krans van altijd groenen klimop op den titel van Winterloof (1832) te lezen. Het motto was van Metastasio, een dichter die om zijn by uitnemendheid muzikaal gevoel aan Staring byzonder lief moest zijn, en die, hoewel in de zeventiende eeuw geboren, oud genoeg geworden was om nog vijftien jaar gelijktijdig met hem te leven. Tegen de grijze kin viel ook by Onzen dichter niet te praten, by "een levenskerfstok" die nu zijn "krappen" reeds achter "zes kruisen" te lezen gaf; maar tegen de zedigheid. die ook by hem de snaren versleten noemde mocht men opkomen. De snaren waren nog gaaf en glad, die tonen van zich konden geven zoo malsch en vol als Adeline verbeid in het Mengeldicht, en hem niet begaven by een Verhaal als Marco, eene Romance als Hertog Arnoud. Het blijkt uit dezen Bundel dat de Avond des levens den Dichter in de gelegenheid stelt tot nieuwe studie. Beide afdeelingen, Verhalen en Mengeldicht, behelzen proeven eener meer opzettelijke kennismaking met het gebied der Noordsche Godenleer en de zangen der Skalden, en de eerste ook dit, dat er, meer dan vroeger, tijd en rust is tot een lang gedicht. Van langwijligheid blijft echter de grijzaart even ver als de jongeling, en dat het hem, op zijne jaren, nog geenszms aan levendigheid van verbeelding begint te ontbreken, daarvan getuigt, by de groote verscheidenheid van tafereelen en toestanden, in de hier geleverde verhalen, altijd dezelfde frischheid van kleur en juistheid van teekening; het zij een vastende Heilig door de malsche reepjens van een voorgesneden hoen getenteerd wordt, een tooverheks "drie vingren, schraal en krom als kelderspinnebeenen" in een zalfbus doopt, een italiaansehe cavatiero by zijn bezwijmde schoone nedergeknield "haar koelte met de slippen van zijnen mantel toewuift" of de "losgegierde staart" van den vreeslijken slang Jormungandor, door Thors Vischhoek gevangen, boven water verschijnt. Dat ook nu nog het hart des Dichters, met het zachtste gevoel, herinnering heeft van de schoonste oogenblikken van jeugd en liefde, wat is er meer noodig om het te bewijzen dan de voorstelling, zoo echt hollandsch, zoo kloppende van leven en natuurlijkheid, eener ontmoeting als de volgende?

              Hij kwam, na 't derde jaar,
  Tot Man gerijpt terug: hlèr zocht, hièr vond hij haar!
  Maar 't knopje werd ten roos: een Jonkvrouw stond nu daar -
In al den luister van haar schoonheid opgerezen -
  En toefde zijnen groet; de vreugd door zedlgheid
Getemperd op het blozend wezen.
  "Ach, Suze!" meer werd niet gezeid;
Doch, wat de ziel bewoog was uit het oog gelezen! -
Men denkt aan Das Lied von der Glocke en aan "die Jungfrau
       In der Jugend prangen,
Wie ein Gehild aus Himmelshöhn,
Mit zúchtigen, verschämten Wangen" u.s.w.

maar men gevoelt hoeveel dieper nog de poëzy der eenvoudigste werkelijkheid het hart aandoet dan die der min of meer geïdealiseerde.

Onder de epigrammen munten de kernachtige Opschriften voor de begraafplaatsen te Vorden en te Lochem uit.

Na de uitgave van het Winterloof in 1832, schijnt toch de grijze Dichter de snaren niet veel meer getokkeld te hebben De nieuwe volledige Uitgave van zijn dichtarbeid, in 1836 en 1837 in vier stukken in 't licht verschenen, behelst slechts een vijftal Verhalen, een paar Gelegenheidsgedichten, en een negental Puntdichten, die in geen vroegere bundels voorkwamen, doch waarvan het onzeker is of zy allen na 1832 geschreven zijn.

Deze Uitgave was merkwaardig. Zy verscheen zonder eenig voorbericht, maar de titel verkondigde haar als eene verbeterde. Metterdaad blijkt het dat de Dichter met de grootste zorg al zijn vroegeren en lateren arbeid heeft herzien, en zijn Pegasus van alles willen zuiveren, wat in zijn oog nog min of meer nop of nopsgelijke was. Een paar mengelstukjens en eenige puntdichten, in de Gedichten (1820) voorkomende, zijn uitgeschoten. Sommige stukken zijn aanmerkelijk gewijzigd of bekort; by anderen bepaalt zich de verbetering tot het verduidelijken van den zin, het vervangen van eene, dikwijls reeds zeer juiste, uitdrukking door eene nog juistere, of de keuze van een welluidender woord of klank. Van de oudere stukken zijn weinige onaangeroerd gebleven. Wat de voortreffelijke zanger der Ars Poëtica van een rechtschapen en scherpziend kunstvriend verwacht, dat heeft hier de kunstenaar met de uiterste gestrengheid van zichzelven gevergd:

versus reprehendet inertes;
Culpabit duros, incomptis allinet atrum
Transverso calamo signum ambitiosa recidet
Ornamenta; parum clans lucem dare coget;
Arguet ambigue dictum.

Het loont de moeite, en zou als aesthetische oefening groote nuttigheid kunnen hebben, de vroegere en latere uitgaven naast elkander te leggen en den bedachtzamen, fijn gehoorigen, meer en meer geoefenden dichter in dezen zijnen arbeid. op den voet te volgen. Doorgaans, schoon niet altijd met een volkomen hart, kan men zich by zijne verbeteringen nederleggen; dikwijls heeft men reden ze te bewonderen, ook om de zelfverloochening die zy hebben gekost. Verlangt men een enkele proeve, wy kiezen die in de reeds in haar eerste gedaante zeer keurige Herdenking, een stukjen dat ook by vergelijking met een ander, in de Eerste Proeven, onder hetzelfde opschrift een zelfde oogenblik behandelende, allergeschikst is om een denkbeeld te geven van de reuzenschreden door den Dichter sedert 1786 gemaakt. De Herdenking nu luidt in de Gedichten in 1820 uitgegeven letterlijk aldus

Wij schuilden onder drupplend loover,
         Gedoken aan den plas;
De zwaluw glipte 't weivlak over,
         En speelde om 't zilvren gras;
   Een koeltjen blies, met geur belaân,
   Het leven door de wilgenblaân.

Nu zwegen koelte en lentedroppen;
        Geen vogel zwierf meer om;
De daauw trok langs de heuveltoppen,
        Waar achter 't westen glom;
   Daar zong de Mei zijn avendlied!
   Wij hoorden 't, en spraken niet.

Ik zag haar aan, en diep bewogen,
        Smolt ziel met ziel in een.
O tooverblik dier minlijke oogen,
        Wier flonkring op mij scheen!
   O zoet gelispel van dien mond,
   Wiens adem de eerste kus verslond!

Wat was 't, dat in mijn borst ontwaakte,
    Als ze aan de hare joeg ?
Een kracht, die de arendsvleuglen slaakte,
    En mij ten hemel droeg!
Een moed, bij ramp noch dood ontzet,
Klom slechts haar heil stond zij gered.

Ons dekte vreedzaam wilgenloover;
       De scheemring was voorbij;
Het duister toog de velden over;
       En dralend rezen wij.
   Leef lang in blij herdenken voor,
   Gewijde stond! geheiligd oord!

Gy hebt geene aanmerkingen, en ik evenmin. Maar als ik zie dat in de nieuwe uitgave de vierde Stanza onbarmhartig gestreken is, dan, ofschoon geen honderd Peerlkampen my zouden bewogen hebben haar als onecht te schrappen begin ik toch met het wantrouwen, dat des dichter correctie my geeft haar herlezende min of meer te gevoelen wat hy ook zelf waarschijnlijk gevoeld heeft, namelijk dat zy, hoe schoon ook op zich zelve de stille zachte harmonie van liet geheel door een zekere heftigheid van uitdrukking stoort, en schoon 't mij aan 't hart ga, ik begrijp de beweging van het schrapmes.

Wij schuilden onder drupplend lover,

De regel is onberispelijk, maar in de nieuwe uitgave heeft de u in drupplend voor eene o plaats gemaakt. Zekerlijk, haar klank hielp in verband met het voorafgegane onder, het eentonige der van tijd tot tijd nedervallende regendroppelen beter uitdrukken; en wij erkennen den man, die in het "Voorberigt" zijner Gedichten eenstemmig met Laharpe, vroeg : "kan men klanken te veel hebben, wanneer men het gehoor streelen wil, en zijn dichters en redenaars ontevreden als zij kiezen mogen?"

Nog ééne verandering onderging het gedicht. In plaats van:

Nu zwegen koelte en lentedroppen,
in den aanvang der tweede stanza, lezen wy nu:

't Werd stiller; 't groen liet af van droppen.

De uitdrukking is juister; dit bemerkt by vergelijking iedereen. Ja; maar het dichterlijk oor gevoelt daarenboven de uitwerking van de twee tempo's, waarin de voorstelling nu verdeeld is, en geheel de beteekenis van het puntcomma.

De Verbeterde Verzameling van Starings gedichten, in 1836 en 1837 in 't licht verschenen, heeft zonder eenigen twijfel in de tot hiertoe veel te wenschen overlatende waardeering van den Dichter verbetering gebracht; niet zoo zeer als verbeterde verzameling, maar door de welkome gelegenheid welke zy den te dienzelfden tijd optredenden Gids verstrekte om in een aantal artikelen zijne groote verdiensten in een helder licht te stellen, en uit den volledigen schat de schoonste paarlen onder de oogen te brengen van een nieuw geslacht.

Doch ook op de "lauweren, welke de jeugd gaarne in zijn kroon gevlochten had" sliep de Dichter niet in. Een exemplaar zijner Verbeterde Verzameling was gedurig in zijne hand; en die hand r'tistte tijet van zuiveren en polijsten, vóór een korte en zachte dood haar, na een welbesteed driënzeventigjarig leven, voor altijd verstijven deed. Het is naar dit door haar met pen en potlood, vooral wat de eerste drie Stukken betreft, van bladzijde tot bladzijde bewerkt exemplaar dat de Uitgave, welke mitsdezen aan het Algemeen wordt aangeboden, naauwkeurig is afgedrukt. Sedert de vorige is nu wederom een nieuw geslacht opgestaan en ontloken, en wy stellen het in de gelegenheid Starings Gedichten te leeren kennen in die gedaante, waarin hy zelf ten laatste wenschelijkst geacht heeft dat de nakomelingschap ze vond en beoordeelde. Zooveel is zeker dat deze tot nog toe het zegel niet drukt op zijne eigene voorspelling in 1815

MiJN handvol kranke heidebloemen
 Zal ras na mij vergaan!

Wat ons betreft, wy gelooven dat de zoo juiste Staring zich nimmer onjuister heeft uitgedrukt dan in deze twee regelen. Zijne bloemen zijn niet krank, en het zijn geen bloemen der heide; zy zijn op een goeden, welbereiden grond, in schoone verscheidenheid gegroeid, gekweekt en wel verzorgd. Eigenschappen, welke deze poëzy ongeschikt maken voor de Algemeene toejuiching van haren van eenigen tijd, waarborgen haar de bewondering van Kenners in alle tijden.

Het eerste dat ons by dezen Dichter treft in Zijne Zelfstandigheid Deze is het Zedelijk geheim van die overal tastbare oorspronkelijkheid, die onbekommerde vrijheid van gedachte en uitdrukking en dat waas van frischheid welke de eigenaardige bekoring van zijne Gedichten uitmaken. Staring is onder geenen invloed. Reeds zijne eerste pogingen hebben iets sui juris, en gemakkelijk erkent men het werk van den zestien, zeventienjarigen jongeling te midden der Proeven van poëtische Mengelstoffen van het Kunstgenootschap voor het zijne; niet, gelijk die van Bilderdijk, door de ongelijk grootere volkomenheid in den vorm, maar door den eigen toon en geest; en schoon Feith, dien hy hoog acht en bewondert zijnen citer hulprijk spant," het blijft de Zijne, en zonder dat, zou hy "het stil genot zijner jonkheid" niet kunnen uitmaken. Van de Ouden doorvoed, met Horatius vervuld blijft Staring een Nieuwere. Meer dan de meesten in de letterkunde der beschaafde volkeren van Europa, die van de zuidelijke schiereilanden niet uitgesloten te huis, blijft hy Nederlandsch. Omringd van een drom van vaderlandsche dichters, meer dan hy deelende in de gunst des Volks; tusschen Bilderdijk, volgens hem "onzen dichter by uitnemendheid" en Tollens, wien een weinigjen na te zingen den zekeren en veelbetreden weg tot toejuiching baant, blijft hy Staring. Hy is en blijft het; ook waar hy den trant van Vader Cats of het kreupelrijm der oude Rethorykers en den stijl van Roemer Visscher over neemt, met Bellamy of Borger om den prijs dingt, een zelfde onderwerp met zijn boven velen geliefden Poot (Vulcanus Wraak) bezingt, en rijkelijk zijn voordeel doet met de veelvuldige lezing van Hooft en Huygens. Die op zijn tweeëntwintigste jaar schreef:

Alcest, wllt gij den Zandberg op?
Zoo rijdt een eigen paard geen huurknol haalt den top.

heeft levenslang een eigen paard gereden, en zou metterdaad groot ongelijk gehad hebben een ander te zoeken en groote moeite een beter te vinden.

Starings zelfstandigheid heeft geen nood zich op den doolweg der zonderlingheid in dwaze grillen te verloopen. Zy gaat met Degelijkheid gepaard; degelijkheid van karakter, oordeel, kunde, smaak, bij degelijke vorming en degelijke oefening. Alles wat deze Dichter voortbrengt, ook het kleinste zijner voortbrengselen is doordacht, doorwrocht, afgewerkt. Van stuk tot stuk, kan hy zoo wel den vorm als den inhoud verantwoorden. Hy waagt zich aan geen vlucht, waarvoor hy geen wieken heeft; hy begeeft zich op geen gebied dan waarop hy te huis is. By Staring geen anachronismen, geen anagrammen, geen van die jammerlijke vergissingen, waarover een man van wetenschap, geen van die dichterlijke vrijheden, waarover het gezond verstand het hoofd schudt. By Staring noch hoogdravende onzin noch week geteem; by Staring noch valsch vernuft, noch nagejaagde geestigheid; geen holle klanken, geen praatzieke uitdrukkingen, en eerder te weinig woorden dan een enkel woord te veel. Zijn lied aan de Eenvoudigheid, zijne puntdichten Aan W., Op zijn Roemer Visschersch, Aan Pegasus, Aan een Beginnend Dichter, drukken beginselen uit, die hij nooit heeft verloochend.

Starings degelijkheid heeft ongetwijfeld hare schaduwzijde; en eene zulke die geheel geschikt is hem van populariteit uit te sluiten. Om geheel gewaardeerd, dadelijk en recht verstaan te worden, onderstellen vele zijner gedichten eene grootere mate van kennis en nadenken dan men aan het Algemeen mag toeschrijven; en wy mogen de weinigheid in woorden van (ten zin- en zaakrijksten onzer dichters niet overal van eenige stroefheid en gedwongenheid, de schielijkheid zijner wendingen niet altijd van onduidelijkheid vrijpleiten. Staring is de man niet voor vluchtige, oppervlakkige lezers. Zijne verzen zijn geen muziek om van 't blad te spelen. Zy vereischen eene oplettendheid, die zy ten volle waardig zijn en by elke herlezing met de ontdekking van nieuwe schoonheden beloonen. Maar deze schoonheden zijn schoonheden van détail, waarover de gewone lezer henenglipt, en die door de verwaarloozing van een rustteeken, de verplaatsing van een accent, het niet acht geven op een hoofdletter verloren gaan of in zoo vele duisterlieden veranderen. Over het geheel is hij meer geschikt een geoeffenden smaak, dan een alledaagsch gevoel te streelen. Naar den droom zijner jeugd de Zanger van het "eenvoudig Landvolk" te worden, lag zoo min in zijn natuurlijken aanleg, als het door zijne classieke vorming bevorderd werd. Veeleer het "0di profanum vulgus et arceo".

Staring behoort tot die die dichters, die by uitnemendheid gezegd kunnen worden hunne taal meester te zijn. Hy kent haar beide door studie en door gebruik; het is echt, het is zuiver, het is het is eigenaardig nederduitsch, het is de Moedertaal die hy te lezen geeft, en waarmede hy doet wat hy wil. De kring, waarin zijn dichtgeest zich beweegt, vereischt niet dat hy daarin al haar pracht en rijkdom ten toon spreide; maar meer dan by iemand anders, ziet men haar by hem in al haar naauwkeurigheid, netheid. naïveteit. Toovert Bilderdijk met haar woorden-Schat, Staring net hare woord-Voeging. En niet minder dan Bilderdijk heeft hy een oor voor hetgeen zy beide aan kracht en welluidendheid bezit. Men heeft in Nederland nooit iets geschreven dat in zoetvloeiendheid zijn Herdenking, zijn Zefir en Chioris, zijn Oogstlied, zijn Adeline verbeid over treft; of in kracht en kern zijne rijmlooze Jamben tegen het Equivoque of Zijne gerijmde Aan de stad Parijs.

In stukken als deze ziet men dat hy den versbouw niet minder dan de taal in zijn macht heeft. Maar dit ziet men overal. Saamgedrongen verzen mag hy geschreven hebben, stootende niet; wanluidende niet; nog minder krachtelooze.

Over 't geheel schittert Staring niet door stoutheid van denkbeelden of vlucht van verbeelding. Zijne gedichten geven nergens den indruk van brandende geestdrift; maar nog veel minder van eenige eerzucht om die voor te doen. Staring kent zichzelven. Hy heeft geest, hij heeft smaak, hy heeft luim, by een te gelijk levendig en sterk gevoel; hy heeft het hart, het oog, het oor van een dichter; wat zijne oogen zien, kan zijne dichterlijke teekenpen (zijn houtskool noemt hy het) schetsen.

De wending van zijn geest, de maat zijner gave, zijn muzikale sympathiën, de kring waarin hij leeft en waarvoor hy in de eerste plaats dicht, bepalen hem tot het Epigram, het Lied, het Verhaal. Vooral in het laatste, en het liefst onder zijn eenvoudigste vormen, Romance en Vertelling, kiest hy zijn standpunt. In de Romance is hy overtroffen, maar in de Vertelling blijft hy zonder wedergâ. Hier dient hem de gantsche schat zijner rijke belezenheid en naauwkeurige kennis; hier ontplooit hy al de gaven van geestige scherts en onuitputtelijke luim; hier toont hy hoe rijk eene verbeelding zijn kan, die tot geen hooge vlucht roeping heeft, hoeveel aanschouwelijkheid en juistheid van voorstelling met "losheid van trek, en vlakheid van koloriet" kan gepaard gaan. En altijd is hy belangwekkend, en nooit valt hy uit den goeden toon.

Huisselijk geluk, hartelijke liefde voor echtgenoot en kroost, vriendschap en gezellige vreugde, oprechte liefde voor het vaderland, innige vereering van deugd en reine zeden, het belang der Godsdienst en de groote oogeablikken der Godsopenbaring in Christus hebben aan Starings lier tonen ontlokt, die zijn hart alle eer aandoen; en geen enkelen regel heeft hij geschreven, die er den geringsten vlek op werpt. Overal ziet men den man van eer, den man van hart, den rechtschapen man. Zijn luim is goedhartig; zijn vernuft, ook in de Puntdichten, van hatelijkheid vrij. De heerschende toon zijner poëzy is die eener zachte, welwillende vrolijkheid. Tragische onderwerpen trekken hem niet by voorkeur aan; en, ofschoon in het laatste gedeelte zijns levens menigniaal zwaar beproefd, van eigen smart zwijgt hy. Toch breekt hier en daar de weemoedige onderstroom zijner gedachten door de kalme, de speelsehe oppervlakte heen, en verraadt op aandoenlijke wijze de diepte van een leedgevoel, dat ook door zwijgen welsprekend wezen kan.

Nicolaas Beets

Utrecht 1861



Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.