HET STOOMTUIG

A.C.W. Staring
Te lang genoegde 't ons, het Ros tot dienst te dwingen;
  Den stroom van Lucht of Nat te keeren te onzer baat:
Het Vocht, door Vuur bezield, schonk zwakke Stervelingen
       Kracht boven aller krachten maat.

Die Kracht, nooit werkens moe, beheerscht ontembre wellen,
  En rukt, uit peilloos diep, der Mijnen schat aan 't licht.
Gedreven door zichzelv', mag gids de Wagen snellen,
       En de afstand als verslonden zwicht.

Het scheprand gonst - de Kiel komt over 't Wad gevlogen -
  Van zeil en riem ontbloot - getij en wind te moet.
Veelvingrig Kunsttuig spint, - door d'eigen Damp bewogen,
       Die logge Hamers smeden doet.

  Gebie het, Nederland! en, zeewaarts afgegleden,
  Ruimt slibbe en zand den weg, waar langs uw vloeden gaan.
Gebie! de Plassen in zal zich uw Erf verbreeden,
       En waar zij golfden wiegt het graan.

't Eenzelvig spoor ten eind, dat Waan en Sleur betraden,
  Klom zòò 't Vernuft bergop - gewon het trans na trans,
En vlocht, aan 't rijzend pad, onwelkbre lauwerbladen
       Een Wondereeuw ten gloriekrans.

Zóó streeft het vóórt! dat Hoog met iedre poging nader,
  Waar Eenvouds Godspraak in haar stillen tempel woont,
Ach, werd - eer 't graf mijne asch bij dierbare asschen gader' -
       Volhardings eedle moed geloond!

Werd zienlijk voor mijn oog, wat nog der Toekomst duister
  In zwangren schoot verheelt! Werd vòl de groote Dag,
Wiens Ochtendschemering - wiens blijden Morgenluister
       Ik, met aanbiddend hopen, zag.

Aantekening.
Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina