Thor als visscher

A.C.W. Staring
Nog zwierf de Godenschaar van 't Noorden,
  Tot strijd gerust of jagend, om.
  De visscherij vermaakte 't Reuzendom,
Gehuisd aan Thules woeste boorden;
  Maar Jormungandur, in den afgrond van den plas,
Lag werkeloos, zoo lang en log hij was.

Een slang heeft dezen naam gedragen,
  Die ('k weet niet hoe) een Wolf tot Broeder had.
Met dezen Broeder wolf zal ik u thans niet plagen;
  Van Broeder slang vertel ik wat.

Hij lag daar, als een hoep om d' aardbol heengebogen:
  Van onzen kant, West-Groenlands kust voorbij -
  Kaap Horen langs, Van de andre zij,';
En had zich, jaar en dag, min dan een lijk bewogen:
  Op eens slaat hij de tanden in zijn staart;
  Hij trekt dien aan zich; en wat volgde? met een vaart
Begint de sneeuw der polen neer te storten;
  Daar 't valsche Dier, bij 't wringen van zijn leen,
De waereldspil acht mijlen ruim deed korten!

  Hoe slonken, boven als beneen,
  Tot gruizeling verbrokkeld, ijs en steen!
Wat magt van waatren kwam op ieder Aspunt horten,
  Wier kapgewelf sinds plat verscheen.

De kregelste der Goon - Thor - sliep, als dit gebeurde,
En 't kraken van onze As zijn trommelvliezen scheurde.
  Een runenspreuk maakt snel zijn Godenstand
  Onkennlijk voor elks oog, en hij betreedt het strand.

Reus Hymer in zijn vischschuit, peurde
  Hier flùs, op zijn gemak; nù heeft hij iedre hand
Vol werks bij 't slingrend stuur, zoo roeren zich de baren!

Maar 't keerend evenwigt brengt alles tot bedaren,
  En Thor schreeuwt: "Hei! - - Heer Reus, leg even aan! -
Ik breng den Puitaal, daar beneden,
Eer hij van nieuws begint, tot reden:
  't Is met een kleinigheid gedaan!
  Vergun mij slechts als Visscher mee te gaan.

De Reus kwam. Juist had ook een dwalende os zijn treden
  Naar d'oever heengewend. Thor knot hem, met een ruk,
Het hoofd van 't lijf, en slaat, in Hymers boot gezeten,
Dit brokjen aan zijn hoek: een Dregge, moet gij weten
  Verstrekt daarvoor.

                             Weldra laat nu, met goed geluk,
De Hengelaar 't gehorend lokaas dalen:
't Wekt Jormungandurs lust; hij bijt; en Thor aan 't halen!-

 De slang nogtans (geen puitaal bleek de kwant!) -
 De Slang daar tegen in! Kracht tegen kracht gekant!
Een nieuw rumoer begin! en - moog de kunst mij falen,
  Die boven 't schetsen gaat - dit eischt een tafereel -
Eischt verwengloed, om 't af te malen!
  'k Leg des mijn houtskool neer, en waag mij aan 't penseel.

Zie zie! ten bodems toe beweegt zich 't ongemeten
  Des oceaans: de losgegierde staart
Der Slang verschijnt! Rots wordt naast rots gespleten,
  Bij iedren kronkelslag. Luidsissend in heur vaart,
  Schiet nù de vlijmspits hemelwaart
En kleurt met bloedig schuim de wolken;
Nù boort zij weer in de eeuwig donkre kolken.

  Een heir gedrochten, uit d'onpeilbren kloof verjaagd,
Komt wild dooreen naar boven dringen;
  Is langs de klippen opgedaagd;
En poogt (elkaar ten schuw!) haar kruinen te bespringen.

Maar Thor gaat voort het Monster te bedwingen;
  't Afgrijslijkst wat de holle nacht
Des dieps verborg! - Als of, bij Heekla's donder,
  De klipgrond voor der dampen overmagt
Te bersten scheurde, en rommlend rees, van onder
  Het ziedend meer, zoo stijgt de ongure kop
  Van Jormungandur op.

Hij stijgt! en dreigt vergeefs met vlammig rollende oogen;
Snuift vruchtloos pestwalm naar den hoogten;
  Thor grijpt zijn Aantekening
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.