Het Vaderland, een feestelijk lied

A.C.W. Staring

 Gij  Erf, vergeefs van zee en vloed
    Vijandig aangerand;
Gij   Grond, besproeid met Willems bloed,
    Bevrijd door Maurits hand;
Gij  Naam, bij 't Namental genoemd
    Daar 's Waerelds oog op staart:
0  Nederland, wees hoog geroemd;
    Gij zijt ons loflied waard!
De   zon van 't regt bestraalt de kroon,
   Die 't hoofd uws Konings draagt.
Voor omkeer veilig staat zijn troon,
    Van aller trouw geschraagd.
Eendragtig houdt zijn Volk het spoor,
    Gebaand bij 't Voorgeslacht:
Den weerspoed kampt het moedig door,
    En won, steeds worstlend, kracht.
Bloei' voort dat heil! woon' hier die deugd,
    Tot 's aardrijks laatsten stond!
Worde eindloos Nassaus Stam verjeugd,
    En heersche op Neêrlands grond!
 Hij heersche in Vree! maar woelt de nijd -
 Valt snood geweld ons aan -
 Vaarwel dan, Rust, en welkom, Strijd!
    Geen schand dreigt ONZE vaan.


Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.