DE VAMPYR.

A.C.W. Staring
 Een Landhuis stond aan de Arn'. Het mag er nòg wel staan!
 Een brug lag daar drie honderd pas vandaan,
Verscholen achter 't wilgenloover.
 Op korte scharrelbenen ging
De Heer van 't Huis, Pandolf, meest elken dag daarover,
 Nadat hij eerst zijn middaguiltjen ving.
 Wat derwaarts ging zijn wandeling
Bepaalde, was een Wei', met runders, wier gelijken
 In heel den omtrek niemand had.
Zijn lust was naar dat vee te kijken,
 Terwijl hij op een heuvel zat,
Tot dat licht begon te wijken.
 En stapte een rijzend man voorbij -
 Ontdekte hij
 Den kogelronden DWERG, in bruine dorpskleedij
Gezeten op zijn troon - hij dacht, bij die vertooning
 In d'avondschijn,
Voor 't naast: het moest de Koning
 Der Egelvarkens zijn.
Pandolf dan was een DWERG! - Van 't slag, uit ridderboeken
Bekend, waarbij men niets dan ondeugd heeft te zoeken.
 Zoo taamlijk in gelijke maat
Verdraaid naar ligchaam en naar ziel! voorts opgegeten
 Van jaloezie, sinds hij een weinig laat
Bedacht had, om Papa te willen heeten;
 En, spijt zijn kale kruin, een piepjong Vrouwtje nam:
 De Koop, waaraan hij voor zijn oude schijven kwam.

Iets vroeger dan Pandolf zich meldde,
 Had Carlo zich bij Nichtjen Izabel
 Om 't ja vervoegd. Zijn zaken stonden wèl
In 't boek der Schoone; alleen heurs Vaders "holla!" stelde
 Zich tusschenbeide, met onwrikbren eigenzin.

 Slechts èèn gebrek was 't, maar alle andre sloot het in,
't Gebrek dat Carlo had! Fortuin liet hem ontberen,
Wat schooijers uit het slijk verheft tot heeren -
 Wat, zonder krijgsrumoer, Gibraltars nemen kan!
 Vier letters spreken 't uit: Geld! Geld ontbrak den Man.

GELD had PANDOLF; en dat zou' Bella krijgen:
"Mits hij verkoos vòòr h&oarave;àr in Charons boot te stijgen"
 Zoo wou' 't Natuur! doch wat de Kunst vermogt
Deed onze Dwerg, om 't blad te keeren,
 En, vroeger dan de Zeisman hèm bezocht,
De Martlares zichzelv' door leed te doen verteren.

 Heur Carlo was ontroostbaar weggevloon:
"Bij 't leger, dat voor Piza's wallen
 Verzameld stond, had hij zich aangeboon,
En 't zwaard deed hem met eere vallen,"
 Naar 't zeggen van de faam.
 Maar onverganklijk bleef zijn naam
In izabella's hart geschreven.
 Dat wist Pandolfo al te goed!
 En 't werd haar straks, bij 't koken van zijn bloed,
Met giftschuim op de lippen toegedreven -
 Scheen slechts heur peinzend oog
Voor een minuut in 't leeg te staren,
 Of welde iets uit haar borst omhoog,
Dat naar een zucht leek! - Geen bedaren
 Was dan aan zulk een storm!

                             Die blies weer zeekren dag,
 Terwijl de middagssprei nog op de tafel lag.
Pandolf was in gevaar van smoren,
 Zoo perste gramschap hem de kloppende aders vol.
 Hij stuift de huisdeur uit, als dol;
En 't uur van zijn _siesta_ gaat verloren,
 Eer hij tot adem keert. De reis ter weide heen
 Wordt des op heden zonder slaapjen aangetreen.

Druilorig gaat het voort; maar eindlijk, in de boomen
 Verzwonden, heeft Pandolf zijn brug
 Berekenbaar een eindweegs in den rug,
Als een paar Speellui', om het bosch naar 't Huis gekomen,
 Zich melden, met gitaar en tamborijn.

Laurette heeft ze 't eerst vernomen -
De kamenier. Het Kwikje meent te droomen,
 Als 't hen ontwaart: gestalte en kleeding zijn
Pandolfo op een haar! Dra berst zij uit met lagchen,
Ijlt heen, en weet zo goed bij haar Meestres te pragchen,
 Dat deze, in 't laatst, met schoudertrekken zwijgt,
 En zij haar Dwergen binnenkrijgt.

Hun spel vangt aan, en uit Laurettes oogen
 Schiet dartle vreugde schicht op schicht;
 Maar Izabella houdt een blik vol ernst gerigt,
Te brugwaart; en heur hart werd niet bedrogen
Door ijdel voorgevoel: Pandolf komt aangetogen!
 Hij keerde halverweegs.
                               En waar de Dwergen nu
Voor 't spiedend oog des Huistirans verstoken?
 De nood dringt! -
                 Lezer, ja! - doch nimmer bleek het u,
Dat, in den nood, BEZIN aan VROUWEN heeft ontbroken!

 Laurettes vindinggeest betoont zich ook niet zoek!
 Twee kleederkisten, in een hoek
Nabij het bed van haar Meestres, bewaarden
 Op dit pas niets dan kleinigheid:
 Dus was de schuilplaats voor het Dwergenpaar bereid.

In iedre kruipt er èèn, en als 't de broeders klaarden
 Verschijnt Pandolf! Op harde kost,
Tot wier verduwing hem het uurtjen slaap bleef falen,
 Zoo ver te gaan, vond hij te zwaar een post.
Hij keerde des naar huis, om nog de rust te halen
 Die hem ontbrak,
 En sluit in 't voorvertrek van Bella's slaapgemak
Zich daadlijk af.

                     Wie kon' hier de angsten malen
 Van Izabella en van Laurette! - Maar
 Door luid gesnork werd spoedig openbaar,
 Dat haar vooreerst nog geen gevaar
Van nazoek dreigt. Toch zaten zij op kolen;
Tot Hij, die van de lont, hem zoo nabij verscholen,
 Geen reuk vernam, de koers weer derwaart zet,
 Waarheen te steevnen hem zijn loomheid had belet.

Straks vliegt Laurette naar heur kisten! - zij gaan open -
 En wat ontdekt het Kind, terwijl haar tong verstijft! -
 DOODKISTEN zijn 't geworden! lang ontlijftd
Door luchtgebrek zijn beide Speellui! paarsbeloopen
 Vertoont zich hun gezigt! -
 Op geen herwekken van 't gebluschte levenslicht,
Door wrijfdoek of lancet, is blijkbaar meer te hopen!
 't Geen hier nog dienst kan doen is enkel goede raad:
 Hoe, in der ijl, het Meisje zich ontslaat
Van 't Gastenpaar; waarbij, helaas, geen nopen
 Tot afscheidnemen baat!

"Weg moeten zij!" roept ze uit; doch voelt zich 't hart versagen,
 En krijgt een kouden ril;
 Becijfrend, wat het zeggen wil,
Die Vracht ten huize uit - en waarheen? waarheen? te dragen!
 Het wordt haar onder 't boezemgaas te bang.
Zij staat met neergeslagen oogen -
 Een groote traan op elke ronde wang -
En wekt in 't eind het Lot tot mededoogen.

 Een knuppel zwaaijend; zijn bonnet naar èène zij'
 Geschoven; komt een Vreemdling 't huis voorbij,
 En draagt, als bandelier, een leegen zak.

                                            't Bedenken
Was bij Laurette kort. Hij nadert op haar wenken:
"Goe Vriend!" zoo spreekt ze "uw uitkijk zegt het mij,
Dat GIJ de man waarnaar ik zoek moet wezen! -
 Voor twee sekijnen had men graag iets prompt verrigt:
 Een Doo - al is hij zoo beknopt als mooglijk - ligt
Ons hier tot hinder; men verlangde hem beborgen
 In 't wed der Arno - Niet in de AARD'!
Hij kleurt te veel als een VAMPYR; wij zorgen
 Dat hem geen Graf sekuur genoeg bewaart."

""Ik ben uw man!"" is 't antwoord ""juist geraden! -
 'k Vraag op de hand maar èèn sekijn.
Mijn Zak komt als besteld, om in te laden
 Dien 'k op uw woord vertrouw geen GOLIATH te zijn""

Hij bleek KLEIN DAVIDJEN; het geld werd aangenomen;
 En nu de Dwerg gezakt,
 Geschouderd, en in de Arno neergesmakt.

Maar toen de Sjouwer, bij Laurette weergekomen,
 Haar thans om de andre helft van 't loon vroeg, keek zij hem
 Verlegen aan, en zei' met een bedeesde stem:
"Hij bleef toch dood?" ""Wel ja!"" "En zonk hij?" ""Dat zou' 'k meenen!""
"Mirakel! - Dààr ter stee is hij dus NAT verdwenen -
 En hìèr! - Al zag ik met geen oog
 Hoe 't ging - hier wist de schelm KURKDROOG
Weer binnenshuis te raken,
En speelt de rol van Lijk op nieuw, met stijve kaken!"

 Zij brengt den Man, terwijl zij 't zegt,
 Waar zij den Tweeden Dwerg paraat heeft neergelegd.
Onthutst bij 't eerst gezigt, maar straks daarop van 't blaken
Der gramschap vuurrood, staat de knecht:
"Wat!" schreeuwt hij "een Vampyr durft zulke kluchten spelen,
 Eer 't middernacht sloeg? - - Hoor! Hij duikt nog eens! en dan -
Indien hij 't weer ontloopt - meen ik hem zòò te streelen,
 Dat hij 't de derde reis niet kan."

Hij sprak; en Krielhaan Twee werd in den zak geschoven,
 En weggetorscht, als flus zijn Kameraad.
 Slechts keert nu, die hem droeg, vrij laat.

Hij is er eindlijk: "Mijn sekijn! en daarenboven
 Een zoen, lief Kind - dien 'k _extra_ heb verdiend!"
 Zoo roept hij "Denk maar eens! ik slinger onzen vriend
De brug af in den stroom; ben honderd stappen
 Of daaromtrent teruggegaan,
 En blijf een poosje staatn,
Om naar wat frissche lucht te snappen,
Vermoeid van mijn karwei; wat zie ik daar? weer grappen!
 De brug af komt Signor heel deftig aan,
Als was er niets gebeurd! maar IK ... met beide handen
 Leg IK hem, van ter zij', mijn knuppel op den kop!
 Bof valt de Bromtol! en ik stop,
Niet lui! ten derde maal hem in mijn zak - de banden
 Wàt stevig knopend! Keert hij nu -
Ofschoon, met zak met al, in grondloos diep gesmeten -
Zoo heeft de Heer Vampyr, daaronder, lang gezeten,
 Om eerst mijn werk te ontfutslen; zweer ik u!"

Welk licht ging op, bij deze woorden;
 Eerst voor Laurette, en toen voor Izabell'! -
 Pandolf is dood! het Vrouwtjen uit de knel!

Maar onder hen, die 't voorval hoorden,
 Had niemand scherper oor, dan Hij, van wien 't gerucht
 Geen waarheid sprak; Neef Carlo! Mettervlugt
Kwam hij springlevend aan. De Paus gaf dispensatie,
En, na elf maanden, zag het Huis een Bruiloftstatie.

Aantekening.
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.