DE VEENROOK

A.C.W. Staring
   Wat droevig zwart misverwt den hemel dus?
Werd Lochems Berg verkeerd in een Vesuvius?
                 Of zijn de Dooden
   Der GROOTE SLAGTING baas, aan 't Stygisch Wed?
   Komt Pluto, door de muiters nagezet,
Met dezen kwalm den afgrond uitgevloden?

  Geen zonnestraal schiet koestrend naar beneen!
In 't voelbaar donker, is de Louwmaand op haar schreen
                 Teruggeslopen.
   Het trage vocht stolt in den loovertak;
   't Genot, dat ons Pomona's gunst versprak,
  Ligt voor ons oog de telgen afgedropen.

   Het Meigewaad van Flora heeft geen kleur.
Zij poogt ons vruchteloos met haar syringengeur
                 Nog bij te springen;
   Wij slepen 't levenspak mismoedig voort!
   De Nachtegaal, half door den damp gesmoord,
  Bezwijkt met ons, en krast in stee van zingen.

   Wie laadt dien ramp, ons op 't onschuldig hoofd? -
Ik zie 't! de HEBZUCHT  is 't, die ons van licht berooft
                 En lentezegen.
   't Is BOERENWERK! - Een Salamanderbroed
   Ontkroop den poel; en, uit zijn turfaschgloed,
  Paart dit Geslacht geen bee met de onze, om regen.

   O Middeleeuw! de Kruistogtrazernij
Voerde u naar 't Heilig Land; gij gingt er Lazarij
                 En Boekwiet halen:
   't Een was verderf; - het ander scheen gewein;
  Maar 't bragt den Twentenaar zijn Veenbrand in den zin,
En laat wat Koekebak ons al te duur betalen!

Aantekening.
Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina