De Verjongings-cuur

A.C.W. Staring
 Annet was beeldmooi - zei 'haar spiegel; en Mama
 Zei 't met Màmzel, den spiegel vlijtig na.
Geen haatlijk Buiten hield de Schoone meer verborgen:
 Zij spilde aan 't jagersvolk niet langer haar toilet
En geestigheid; een afgebeden morgen
 Rees uit de kim; de Puikbloem werd verzet
In 't luw der Stedelijke Muren;
Het kennersoog kwam haar begluren:
 En Jonkvrouw Faam stak lustig haar trompet.

 Verscheen voor de eerte maal Annet,
Als dorpeling, met hooggekleurde wangen
 Op 't Cercle, en zat ze er stom - na weinig zuchten werd
 Haar keursje ruim genoeg; haar tong vrij. Op 't Concert
De week daaraan ..... was Blooheid reeds vervangen
 Door spraakzaamheid. En op een Thé,
Dat volgde ..... was het Babblen, zonder ende.
 Ook kreeg elk Pronkertje vandaag een schampstoot mee,
Terwijl zij, regts en links, heur naaldscherp nebje wendde.
 Hun Strooijenhoedskostuum leed last! - Het Hielbeslag -
't Lorgnetglas aan een koord (schijnblindheids ridderteeken!) -
 De Snuifdoos - geen der Kwikken van den dag,
Waarin geen pijlspits van Annets vernuft bleef steken!

Zoo was een ieglijk nu haar klein Talent gebleken.
 Doch, wat men niet betwijflen zal:
 Tot haar Vervolgpreek liep een telkens mindrend tal;
't Planetencorps, door haar als zon, beschenen,
Zwierde uit d'attraktiekreits; en.. 't was in 't ruim verdwenen!

 Het derde wintertij had sinds den herfst verjaagd;
 De wiek des Tijds had uitgevaagd,
Wat, bij de waereld, van Annet stond aangeschreven;
En, als voordeze, kwam een hofstoet haar omgeven.
 Maar thans was 't rijper Jeugd, aan 't schip van staat vertuid,
Door ambtszorg; door de zucht gedreven,
Om onder eigen dak te leven;
 En op een Huisbestierster uit.

Thans vond Annet ook raadzaam om te zwijgen.
 Hoe dringend eene Amie bad,
 (Die graag, bij vakatuur, haar troon bestegen had!)
Aan 't recenseeren was Annet niet meer te krijgen.

 Maar wijslijk wikken bij haarzelve mogt ze toch!
Dat mogt ze! en zat, op Kersdag, te bedenken;
 En, op Sint Nikolaas daarna, bedacht ze nog,
Hoeveel er schortte aan elk van die zij 't Ja zou' schenken.-
 A? was Klein Duimpje; B? de Sparewouwer Reus;
 C? was een jool; D? had een scheeve neus.
Dus liep zij 't alphabet dòòr en wèèr dòòr - wou niet! -
 Of, wou ze dan - tòch - wèl!
 Dan was het gistren I, vandaag K, morgen L.

L zou; het eindlijk zijn! - Maar ... "Neen, Heer L! zoo gouw niet!
 Wij hebben tijd!"
 Bij slot: (want, om regtuit te spreken,
De walg begint me, als u, van dit getalm te steken!)
 Vokaal en Konzonant - zij raakte 't alles kwijt;
 En zelve vrijend, sloot, die eertijds werd gevrijd,
Haar vijf en vijftigst jaar! Toen ... "Ging zij zeker trouwen,
met Hans, haar Lijfknecht?" Neen! "Dan liet ze een Hofje bouwen -
 Betrok het zelve met een oude best
 Of wat? ..." Neen! Nèèn alweer! het lest
Zoo min als eerst. "Wat dan?" Ja, lieve Vrinden,
Gij zult het ongelooflijk vinden!

 Toen! reisde een hooggeleerd Doktoor,
 Van Jemen uit, de waereld door.
Waar HIJ kwam, vloden alle kwalen:
De exkreuplen dansten in de leege hospitalen!
 Ontbrak er lichaamsschoon? zelfs dààr was middel voor
Bij onzen Eskulaap te halen:
 Zijn Kosmetiek liet blankheid aan den Moor
Noch gladheid aan de Pokputtronies falen.
 Tot Haarzalf toe verkocht men in zijn kraam:
Werd daar een Munnikskruin naar 't voorschrift mee gewreven,
Eer ge om kondt zien was Pater Steven
 Prins Absalon!

                                   Doch, wat Alhamis naam
Ten hoogste hemel droeg! hij wist een geest te trekken
 Uit Krekelmerg; en hiervan iets op de tong
Van een krom grootje, zoo begon 't zich regt te strekken,
 Sliep - en ontwaakte Jong!

De Middelzee voorbij, was nog geen proef genomen
 Van 's Arabiers Verjongingscuur:
 Alhamis hield zijn waar te duur!
Doch bij Erftante Annet was naauw berigt gekomen,
 Dat hem de buurt wacht, of haar paerels liggen klaar!
 Zij leent er geld op, bij den rijken schagcheraar;
En 't lukt haar, vòòr den nacht, dat zij een dubble dozis
Van 's Mans Arcanum, met een zegen, die niet voos is,
 Naar huis brengt.

                                 "knap mijn slaapjak aan,
 Francijn, en dìt goed ùit!" Zoo spreekt zij. Een vermaan
Volgt onder 't werk: "Lief Kind, uw dienst ware overbodig,
 Zoo lang mijn rust duurt. Gij begrijpt toch, wat ik meen?
 Mijne Oudejufferschap vare onbekeken heen!
Als 't morgen wordt, en eer niet, zijt ge er noodig.
 Welaaan de Druppels! -

                         " "Elf" " juist elf? - iets min pedant
 Hiet dit een Lepeltjen, in 't Kristenland!"

Zij slikt haar Lepeltjen; zij slaapt; en 't Kameniertje
Verdwijnt. Het voelde wel een ziertje
 Nieuwsgierigheid; maar neemt, dat Cijna keek,
 En dat haar Juffrouws slaap voor een sekonde week,
En zij betrapt werd? Neen! zij durft het niet te wagen!
 Reeds zit zij in haar cel, waar 't martlend ongeduld
Haar zelfs geen dutje gunt! Daar zit ze, en telt de slagen
Een overslag van haar profijten, als het Vrijers,
 Gelijk zij vast stelt, bij Schoone Antje reegnen zal:
 Kommissies en zesthalven zonder tal;
 Van 't eerst Bod aan, tot de Luide Toeslag vall',
En nu de zegen stroomt met halve en heele rij'ers!

 Inmiddels is 't zoo ver nog niet!
 Het werd vooreerst maar dag, en Cijntje komt - en ziet!
Zij ziet! - Wat ziet zij? - Raad eens even
 Voor de aardigheid;
 Tenware u, 't geen zij zag, door andren was gezeid?

Zij ziet ... hier hulp vandoen, die ZIJ niet weet te geven;
 Ziet ... geen schraal oortje meer, waarvan haar knipbeurs zwelt;
 En, ach! als Kamenier zich haar ontslag voorspeld!

" "Elf droppen" " stond er op 't etiket geschreven;
De Lepelmaat .. was rijklijk tweemaal zeven!
 En Droppels gòlden, bij de Krekelmergstinktuur!
Slechts veertig jaren mèèr bevond zij zich genezen; -
 En lag, als Zuigeling, te wachten naar een Luur!

Hier kon' het punctum staan! maar gins verneem ik ooren,
Die, na het laatste woord, graag nog een laatser hooren!

 Annet zòòg bèst! Annet wies op;
En eer de Ring haar weer ontsnapte,
 Ging nu het vrijen in galop;
De Vischhoek lokte - 't Vischje hapte!
 Zij schonk blind weg een Zot haar trouw,
 En stierf aan haar berouw.


Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina