VERLANGEN

A.C.W. Staring
Wat toeft gij, die in 't eenzaam duister,
   Gelijk een engel voor mij zweeft!
Wat toeft gij, die me bij een zacht gefluister
   Als mij bestemd verkondigd heeft!

Ik reik, van zoeten waan bedrogen,
   Mijne armen naar uw beeldtnis uit;
Zij deinst terug; zij is vervlogen,
   En laat me alleen, der smart ten buit!

Wat toeft gij, dat een vruchtloos haken,
   Als middagbrand, mijn bloei verzeng'.
Zal nooit ... ach, nooit! de stond genaken.
   Die u mijn' wenschen tegenbreng'?

Genees het hart, aan u geschonken;
   Eer 't in zijn duldloos wee verkwijn';
En laat, uit UWE hand gedronken,
   Mij 's levens kelk tot vreugde zijn!


Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.