Vulcanus Wraak

A.C.W. Staring

Aanteekening
Mars en Venus ick nomen sal -
Ghevangen in Vulcane net."

Liedeken van ANDRIES CRIJNEN VerVeen,
Prince der Goudtsbloemen ten jare 1620

    Viel 't Mulciber wat zuur,
                             voor 't vuur,
In Lemnos winkelholen,
     Zoo liet hij vaak, op rust bedacht,
     Het korten van Vrouw Venus nacht
Den Droomgod aanbevolen.
     Zijn Wederhelft verbeet
                           haar leed,
Getroost om stil te bukken.
     Slechts had zij, in een dennenwoud,
     Naar stijl, der Maan iets toebetrouwd,
Van Manliefs wondre nukken.
     En Jonkvrouw Maan verried
                       haar niet.
Zij kon van oudsher zwijgen.
     Dat Mars haar snood beluisterd had,
     Toen ze in zich zelv' te praten zat,
  Was haar niet aan te tijgen.
     Veel minder wat de Guit
                            hier uit,
Ten eigen onheil, brouwde;
  Wanneer hij aan vrouw Lemnia
  De schuld van een te plompen gaa
Handtastelijk ontvouwde.
     Haar Hinkvoet liet eens wijd
                                  en zijd
Zich hooren met zijn hamer,
     Als Mavors, zonder oorlogstrom,
     Een digten nevelmantel om,
Kwam strijken in haar kamer.
     Ligt maalde hier 't penseel
                                 te veel;
Mijn Zangster laat het glij'en!
     Genoeg, dat Sol zijn ronde deed,
     En, loerend door een vensterreet,
Het weeldrig volk zag vrijen;
     En wie, en wat hij vond
                             terstond
Den Smid in 't oor ging fluiten
     En 't narigt met den raad besloot,
     Om, eer zijn kruin meer takken schoot,
Die sluikerij' te stuiten.
     "Dat wil ik, Vriend! Hoe bars
                                   Held Mars
Zijn pluim kasket moog' zetten;
     Hoe zeer in schalkheid uitgeleerd,
     Hij zal, van dezen togt gekeerd,
Geen zegedeun trompetten.
     Ik blijf; klief GIJ ter vlugt
                                   de lucht,
En noodig hier de Goden!
    Doch Jovis breng' wat vuurwerk mee:
    De schemering bij Cythereê
Heeft ligt die hulp van nooden."
     Sol ging. Nu gordt Vulkaan
                                zich aan! -
Hij toont zijn kunstvermogen:
    Uit smedig ijzer wrocht zijn hand
    Een Net, voor Herkles kracht bestand
Te fijn voor Lynceus oogen!

     "Op, Mavors! op! Rijs, Pa-
                                phia!" -
Zij luistren niet! Zij slapen! -
     Dien hen zal WEKKEN is niet ver:
     Sleepvoetend nadert Mulciber,
Met zijn verraadlijk wapen.
     Vergeefs weerstaat het slot
                                een God;
Vergeefs is 't nacht daar binnen:
     De Visscher komt, bedaard en koel;
     Vischt; vischt; onmerkbaar voor 't gevoel;
En 't Paar beweegt geen vinnen.

     Daar schiet het, met een zet,
                                  in 't net;
Van tusschen dons en deken!
De treklijn, om de vleet gesjord,
     Is fluks ten dubblen knoop geschort;
Hun leste kans verkeken!
     Zoo wordt de dartle lust
                              gebluscht!
Wat schrik! wat jammerstemmen!
     "Twee Goôn" roept Mars, met lange lip.
    "Twee Goôn, als baarzen in den knip;
En, ach, gedoscht tot zwemmen!
     Help, Jovis !" Jovis hoort,
                                 op 't woord:
De  scheemring zwicht! hij is er! -
     Een stoet van Goôn verzelt Jupijn;
     Neemt mee de Vangst in oogenschijn;
En schatert: "Leev' de Visscher !"
't Is tuwer instructie, ghy Amoureuse scholieren Die naer ghehoude Vroukens haect."

J.B. Houwaert, Handel der Amoureusheit. 1621



Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.