Ter eerste viering van den Slag bij Waterloo

In eenen Vriendenkring op het land gezongen;
den 18 van Zomermaand 1816.

A.C.W. Staring

Gij Heldenschaar, in 't eigen perk gevallen,
      Waar Nassaus Telg zijn bloed vergoot,
En 't woelig Hoofd van Frankrijks duizendtallen
   De LESTE MAAL 't vergeldend zwaerd ontvlood!
Wat klaagden wij, dat u geen eerkrans loonen,
      Geen juichend lied ontvangen mogt?
Niet ONZE HAND - zij zelve moest u kroonen,
   Die ongezien aan uwe spitse vocht.
Ruischt golvend graan ons, waar gij sluimert, tegen,
     Dien grond, eens daavrend bij uw strijd,
Heeft, van omhoog, des Derden Willems zegen -
   Heeft Marlborough - heeft Freedrik ingewijd.
Uw stem, den duistren grafkuil uitgedrongen,
     Zal spreken tot ons Nageslacht;
Als 't Vaderland, door nieuwen krijg besprongen1
   Zijn redding weêr van u gelijken wacht!


Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.