A.C. W. Staring

Waterloop

  Nu baant zich 't Nat
  Een heimlijk pad,
En tjilpt en fluistert,
  In bloem en blad
Voor 't oog verduisterd.
  Nu dartelt vrij,
Op gouden zanden,
  De stroom voorbij.
Hij schuurt zijn randen
  Allengskens uit,
  En sleept den buit
Van kleiner vlieten
  Geweldig voort;
En golven schieten,
  Van ver gehoord,
  Langs 't rotsig boord.
  Nu vangt een dal
  Den Waterval.
  Een glinstrend kleed
  Ligt stil verbreed
  In 't nieuwe perk.
Het loofgewemel,
  Het bonte zwerk,
De blaauwe hemel,
  Zien statig neêr
  Op 't effen Meer.