A.C. W. Staring

Aanteekening bij Wichard van Pont

Dit stuk heef, zoo het eerst was aangelegd, ten jare 1793, een plaats gevonden in de Bijdragen van Feith en Kantelaar. Wat men van het behandelde onderwerp, bij Slichtenhorst (Tooneel des Lands van Gelder, Kap. 36 enz.) kan lezen, en mij dienstig was, bepaalt zich tot het volgende: ''t is eene verouderde dwaling, dat Gelderland weleer door zeker gruwzaam Dier is geplaagd geweest; hetwelk onder eenen eik schuilende, de velden rondom woest en onveilig zoude gemaakt hebben, en menschen en vee of verscheurd, om met zijnen adem gedood. Welk ondier, door Wichard, Heer van Pont, doorstoken zijnde, heeft deze Held, naar het laatste gehuil van het Beest, dat stervend: Gelder! Gelder! had uitgeroepen, eene stad, die door hem aan de samenvloeijende stroomtjes de Niers en de Wije gesticht werd, tot eeuwige heugenis, Gelder genoemd.

De Zeeuwse Tijdschrijver Jan van reijgerberg zegt, dat Gelderland in die tijden Ponthis zoude hebben geheeten. -

Wichard trouwde de Dogter van Herman, Graaf van Zutphen. - De Hoofdkerk der Stad Zuthpen was, van onheugelijke tijden af, aan de Heiligen Peter en Walburg toegewijd.' - 'Ponthis.' Ik lees bij mij, in Boxhorns Chronijk van Johan van Reygersbergen, II. 5. 'Pont.' - 'De Hemel wil 't.' In 1095 riep men ook, op het Concilie van Clermont: Diex el volt! - 'Driemaal negenmaal.' Van de eerste tot ruim aan het midden der negende eeuw. Wichard bestuurde eht Land van Gelder, van den iare 879 tot 910, volgens Slichtenhorst, den Vertaler van Pontanus. Teschemacher wijst aan ZIJN' Draak het jaar 990 toe. - 'Gelder.' Men stelle zich Gelder voor, als éénen persoon met Geltar, wiens naam alleen in het elfde tooneer van Klopstocks Hermanns-Schlacht en nergens elders wordt genoemd. Etymologisten, uit de school van den Schrijver der République des Champs Elysées, H. de Grave, zullen den naam van Geltar, of Gelder ook nog erkennen, in dien van Gelster, een Dorp gelegen in Gelderland, Kwartier Zutphen, waar de Kleine Brukters plagten te wonen. - 'Vorst.' Van Spaen, Inl. tot de Hist. van Gelderl. II. 136.

Naar het gedicht.