A.C.W. Staring

Wichard van Pont
I

800-1000

Verschrikking heerschte in Zuthens muur;
   De bleeke burgerschaar
Lag, weenend bij der priestren zang,
   Voor Walburgs kerkaltaar.

'Ach, Heiligste, zoo vast betrouwd!
   Met zoo veel danks vereerd!
Wat misdrijf heeft uw waakzaam oog
   Dus van uw volk gekeerd?

Waar doolde 't, toen onze eelste jeugd,
   Tot Nabuurs hulp gesneld,
Een prooi van 't gruwzaamst Monster werd,
   In Ponthis bloedig veld?

Al strijdt de Drakenmuil met vuur;
   Zijn klaauw met tijgerkracht;
Uw enkle wil, en 't helsche Dier
   Was, als een lam, geslagt!'

Zoo kermt de schaar; zoo jammert zij,
   O Wichard, die gij mint!
De jeugdige Erv' van 't Zutphensch land,
   Graaf Hermans dierbaar Kind.

Zij ligt . . . neen, zwakke citer, zwijg
   Hoe zij daar biddend lag!
Neen, zwijg, hoe Margareta's oog
   Door Englentranen zag!

Door tranen, die haars minnaars ziel
   Van 't lieflijk aanschijn dronk;
Daar, om hem, volk en heiligdom
   In schemernacht verzonk.

Nog wanklend, siddrend van den gloed,
   Die hem in 't harte voer,
Beklom hij  't outer; zag op haar;
   En vatt'e 't kruis, en zwoer:

'De Hemel wil 't, ik zal 't bestaan!
   Geen slaap, die mij verkwikk',
tot Ponthis Vloek mijn arm beproeft;
   En 't Schrikdier sneeft, of ik!'

De Brave zwoer 't, en rent van daar,
   Wijl 't nuchter veld nog douwt,
En rust niet, tot het volgend licht
   Den grooten kamp aanschouwt.

'Voor God en Haar' is al 't gebed;
   Met springt hij stout van 't ros;
't Vizier gaat digt, het slagzwaard uit,
   De held op 't monster los.

Hij nadert, door een eik gedekt,
   Waaraan zijn vijand ligt;
Langs beenderstapels nadert hij,
   En stuift hem voor 't gezigt.

Geduchte strijd! Gewaagde kans!
   Daar klaauw, en tand, en vuur . . .
Daar 't Vloekdier dubble wapens voegt
   Bij dubble kracht ten stuur!

Vergeefs dat Wichards ridderkling
   De vaart des bliksems tart;
Geen zwaerd, op 't stuit van schelpen op,
   In 's afgronds poel gehard!

Geen scheidt er van den kronkelstaart
   De giftvlijm, tuk op moord;
Terwijl zij, 't harnas doorgedrild,
   Tot diep in 't leven boort!

'Zwicht Wichard!' neen! hij grijpt den dolk,
   Zijn ongekenden schat,
Die 't al, waaraan de zege hangt,
   Naar 's noodslots eisch, bevat:

Een scherp, dat driemaal negenmaal
   Vererfde in d'eigen stam;
Dat, nooit het regt ten smaad misbruikt,
   Van neef op neven kwam;

Dat Gelder zwaaide, in Varus Slag,
   En, bij den Lippevliet,
Gestruikeld aan der Bruktren spits,
   Het nakroost overliet.

Hij grijpt dat scherp! Het ijzer dringt
   Tot 's vijands ingewand!
Daar spert het Dier zijn kaken op,
   Van felle smart vermand!

Het schreeuwt, terwijl in 's Ridders hart
   Eene eerste ontzetting rijst;
Het schreeuwt, en 't is een menschenstem,
   Die uit zijn gorgel krijscht!

Hoort: 'Gelder!' schreeuwt het 'Gelder!' hoort,
   De heuvlen galmen 't rond;
Luid klinkt het uit het zwerk terug;
   Hol bromt het door den grond.

Zoo spilt de Plaag haar kracht; zij stort;
   Zij knakt den eikenstam;
En 't Helspook, dat den romp verlaat,
   Keert weer van waar het kwam.

Doch Wichard zingt geen zegezang;
   Zijn palm behoort der min!
Hij slaat het spoor ten naaste burg
   Bescheiden zwijgend in.

Ga, edel Krijger! brandt een gift
   Verraadlijk in uw wond;
De Hemel hoort het smeekgebed,
   Uit den verlosten mond!

Gewis, gij leeft, gij bouwt uw Stad,
   Van Wije en Niers gedrenkt;
Hier, waar zij 's Monsters lesten kreet,
   Uws Stamheers Naam, gedenkt!

Een Naam, die ook mijn Vaderland
   Aan 't vorstlijk voorhoofd blinkt!
Een Gelder, dat, na duizend jaar,
   Nog over de aarde klinkt!

Aantekeningen
Naar Wichard van Pont II