De Tooverwijnstok

A.C.W. Staring
       Albertus Magnus - (was hij 't niet,
       Dat was 't een ander, dien 'k zo hiet:
       Oòk Tooveraar van zijn bedrijf;
       En òòk dood, sinds een eeuw, vier, vijf) -
       Albertus, of die andre, zat
Eens mee aan, waar de Duitsche Keizer at.

Ter regter zij' van 't Eergestoelte praalt
Hofmaarschalk Max, die naast zijn Heer nooit faalt;
Behalve daar, waar man tegen man,
En 't bloote zwaard moet toonen wat men kan.
Staag krom van rug; van hart en kuiten valsch;
Groot in 't salet; in 't raadvertrek een hals.

Onrustig waart zijn oog thans om den disch:
Dat 's Vorsten mond geen smaaklijk beetje miss'!
Het keuren valt hem zwaar! de tafel zucht,
Belaan met cijns van water, aarde en lucht;
Met wat Germanje, uit zegenvollen schoot,
Van Maas tot Sau aan zijn Beheerscher bood!

Toch flaauwt 's Mans ijver niet! terwijl de vreugd'
Allengskens groeit; daar Bachus 't hart verheugt,
De luitsnaar trilt, en 't schaatren der trompet
Heel d'omtrek mee in vrolijk oproer zet.

Nu treen de Spelers binnen: snaaksche klucht
Bereidt de schaar der Gasten nieuw genucht
Hun Heer alleen zit (al te vaak gestreeld!)
Aan 't oor van ligchaam en van geest vereelt,
En smaakt geen vreugd'.

                          Hofmaarschalk Max weet raad:
Hij nikt, als 't Kamerspel ten einde gaat,
Albertus toe: "Op, Meester! dat uw Kunst
Den Keizer eer bewijze - on allen gunst."

Albertus is gereed. Hij zwaait den staf,
Dien een onzigtbre hand hem vliegens gaf:
Eèèn - twèèmaal deed hij 't; bij de dèrde keer
Verscheen een wolk; gebloemte en loof zeeg neer;
De balsemgeur der lente faalde niet;
En, met geruisch, gelijk van wieglend riet,
Verzwond het dischsieraad in 't glanzig blad,
Gehuwd aan keur uit Flora's bonten schat.

En traliewerk van zilver sloeg een kring,
Die, wijdgestrekt, het lustig perk omving;
En harpklank jubelde; en, door 't schittrend blank
Van 't eel metaal, vlocht zich een Wijngaardrank;
Maar, voor den Keizer, breidde een Perzikspruit,
Op 't maatgetoon, haar purpre loten uit.

Niet lang, of bloeisel pronkt, aan rank en lot;
't Wordt ooft; 't wint verw! Mèt klinkt het luid gebod
Des Meesters door de zaal: "Aan elken gast
Behoort een tros: alsamen toegetast,
En 't mes gevat! - doch wacht een nader woord;
En blijft de druif verschoonen, tot, gij 't hoort!"

Hij sprak. Den steel van elken tros bedreigt
Het scherp; als, zie! de perzikspruit zich neigt,
En de appelvrucht, aan 't buigend rijs gehecht,
Zich willig in de hand des Keizers legt.

Terwijl beloert de Hoovling Max zijn tros:
"Waar wacht ik naar? hij heeft zijn vollen blos!
Ik bie' hem staandevoets den Keizer aan,
En laat den eersten dank mij niet ontgaan!"

Hier snijdt hij toe . . . en schendt hij zijn gezigt! -
Hoe? blijkt terstond! De zinsbegoochling zwicht:
Ver van den wijngaardrank houdt ieder gast
Zijn eigen neus met spitse vingers vast,
En 't mes daarop! - Max heeft verdiende straf;
De Keizer lacht hem uit; en hij trekt af.

Aantekening
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.