Versliept gij 't zoet der Lentedagen, Traag Roosje, dat gij nu nog waakt? Uw Zusters toefde, in hof en hagen, Een rust, die gij alleen niet smaakt! Moge u de storm ten Zefir wezen, Arm Bloemtje, spreek, wat wint ge er bij? 't Genot der vreugd, hoe uitgelezen, Is, ongedeeld, van geen waardij.