De zee

A.C.W. Staring

Aanteekening
Moog' hij 't zalig Veld bezingen,
  Die de Mei ontwaken zag;
't  Groen der heuvlen zag ontspringen,
  Bij haar eersten zegenlach.
In  bepeinzing opgetogen,
  Staarden wij van de effen reeê:
't   Ongemeten boeide onze oogen -
  En ons lied zijt GIJ, 0 ZEE !
  Hoe lieflijk is uw rust,
  Als de avondstilte uw baren sust;
Het keerend tij uw spiegel naauw doet kroken;
  De heldre lamp der maan,
Aan 't blaauw gewelf ontstoken,
  Den visscher toeglanst op zijn baan!
  Uw ruim verbreedt zich niet,
  Waar 't ons geen gouden oogsten biedt,
Van 't weemlig vlak tot in de diepste kolken.
  Gij draagt des waerelds schat!
Door u is 't heer der volken
  Al samen burger te eener stad!
De schare komt, van Zuid en Noorden,
     Uw paden langs. Van Nijl en Rijn;
Van Zilvervloeds en Indus boorden;
     Bij vredes milden zonneschijn.
Herbouwt, breidt uit, met feestgezangen,
     De muren door hun vlijt bezocht!
Ach, vrede, vrede leidt hun gangen,
     En blijde welvaart sluit dien togt!
De schare komt, van Zuid en Noorden,
     Ter haven in; van Nijl en Rijn;
Van Zilvervloeds en Indus boorden;
     Bij vredes milden zonneschijn!
Laat hun dank den Redder prijzen,
     Die de orkanen bond!
Wiens sterke hand de kiel deed rijzen,
     Boven bank en slibbergrond.
  Laat hun dank den Redder prijzen!
  Menig zag het land verrijzen,
     Waar zijn lijk slechts berging vond.
Hoort, het murmelt luider in de touwen,
     En al woester zwalpt het toornig meer.
De oever, straks zoo lieflijk aan te schouwen,
     Kaatst den golfslag onheilspellend weêr.
Terug, vermeetlen! In de branding loert
De Dood, van 't steil der klippen. Boven haar
Ontvlamt de donderwolk. Terug!
                              Eilaas,
Reeds huilt de stormwind; de oceaan verheft
Zijn waatren, met gebulder; duisternis
Omhult het diep; het raatlend zwerk verdooft
Des scheeplings angstgejammer; toomloos vliegt
De kiel ten hemel; schiet ten afgrond neér;
Botst krakend tegen 't rif; en is niet meer!
Der Tijden Jeugd zag dus zich 't oproer paren
    Van wolken en van baren:
   Vergeefs stond duin naast duin geplant;
  De Zee, haar grenzen uitgevaren,
   Verzwolg ze, en scheurde 't effen land;
En 't rotsig Hoog werd langs haar baan ten strand.
     Getuige er van dat woelig Breed,
     Dat Neérland scheidt van Albion:
     Het perk, waarin DE RUYTER streed;
     De moed van TROMP lauwrieren won;
     En ZOUTMANS glorie blijken deed,
     Dat rust ons niet verbastren kon'.
Bedwing een kracht die met vernieling dreigt,
 o Zee! Blijf staag beschermend ons geneigd.
In uw kring wijke, al teistert Twist het LAND,
De schepter nooit uit Eendragts regterhand.
Onschendbaar zweev', zoo ver uw palen staan,
De Mastbanier van Neerland af en aan;
    En 't heilig erfgoed van haar eer
       Behoev' geen wreker meer.


Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.