JAROMIR TE ZUTPHEN

A.C.W.Staring
`Alweer van Jaromir?' Ik kan 't niet helpen, Lezer!
 Hij liep, ten derde maal, mij klakloos voor den voet;
En of mijn Held aan Moldau of aan Wezer
 Gefokt zij; of hij mij de derde reis ontmoet,
Of de eerste, en Monnik zij of Heiden;
 Hij mij onbekeken goed:
 Verstaat hij slechts, wanneer mijn rijmkoorts woedt,
De ziektestof genezend af te leiden.

 Laat Jaromir u dus zijn platgeschoren bol
Nog eens zien, heb geduld! het zal aan mij niet schorten,
Dat hij uw leegen tijd naar krachten poog' te korten,
 Bij 't spelen van zijn nieuwe rol.

 Welaan dan, ik begin! Hou' slechts uwe aandacht vol!

Heeft iemand van den Booze wat te vreezen, Hij ga niet ver om hulp; zijn man is Sint Michiel. Kort voor het tweetal Klepels viel, Met Lochems Klokken eerst ten hoogen opgerezen, Moest Jaromir hem juist indachtig wezen. `Bij Sint Michiel!' roept met ontplooiden mond De Pater, dat het kerkhof dreunt in 't rond; De Heilig hoort; kijkt uit; ziet slingrend zich verheffen Wat straks verraderlijk hem die daar schreewt zal treffen; En staat reeds, maar verhuld voor 't menschlijk oog beneen. Het schild is aan zijn arm; niet voor den pronk alleen: 't Heeft, met een zwenk, op weg de vaart gebroken Van 't neergesmakt metaal - des niet te min vrij zwaar Op 's Monniks hoofd beland! Vriend Jaromir ligt daar, Als had de Dood zijne oogen reeds geloken. Zijn longen zijn van ademtogt verstoken, Terwijl het bloed hem langs de slapen vliet. Nogtans de levensvonk ontsnapt het ligchaam niet! Een arm - een been, dat aanvangt zich te rekken - Doen blijken, dat Michiel geen lijk heeft op te wekken. Het kost hem slechts een schrupeltjen bewijs Van Balsem uit het paradijs Om, binnen weeks verloop, wat gaapt weer digt te kleven; En Hij, wien 't in een droom is g'openbaard, Wat Heilig hem onzienlijk heeft bewaard, Verspreekt, door pligtbesef gedreven, `Eé dingsdag van de twèè te vasten, hem ter eer, Tot zijn Getij de aanstaande herfstmaand keer'.' Dit woord was tusschen hem en zijn Patroon gebleven: In petto gaf hij 't, op 't bedaarde ros geheven, Dat, als convalescent, hem aan vervelingspest Ontdraagt, en redt naar Zutphens grijze vest. Daar wil hij bij de Wijsheid les gaan nemen, Die, in een Kerkgewelf, befaamder dan te Bremen De Grafcel, eeuwen tijds aan boei gelegen heeft, En - Proteus wedergaa - geketend antwoord geeft. Zijn ijver baarde gunst! men laat hem niet verlegen, Schoon hij ter scheemring toe zijn drokke studies rekk': Een dubble Sleutel wordt van Kerk en Boekvertrek Hem toebetrouwt; De Koster hoeft zijn wegen Slechts hulpzaam over dag, maar niet, bij 't henengaan, Des avonds, gaa te slaan. Wat, onder 't werk, 's namiddags onzen Pater Tot sterking dient, daar waakt een oud Begijntje voor. Pas opent hij de deur, of 't hengelmandje staat er: De Custos komt er mee; hij zet het aan zijn schoor Van 't welf, eerbiedig groetend, neder, En gaat. Zoo kwam en ging, die hem verzorgde, weder. 't Was de eerste keer 's Mans EXTRA-VASTENDAG; Doch had de Non, die in zijn Vesperbrood voorzag, Van zijn Gelofte niets vernomen; En toen zijn spijsuur was gekomen, En 't korfjen openging, bleek, wat het bovenst lag, EEN HOEN te zijn. 't Vereischte geen ontleden; Reeds was het naar de kunst, den eter voorgesneden. Zijn tanden waatren! Evenwel hij doet zijn pligt, En dwingt het afgewend gezigt Op Vaders Augustijns Confessies neer te kijken. Dit middel geeft allengskens baat! Hij vat steeds meer er meer den zin van 't geen er staat - Peinst op 't geleezne - en voelt de kwaa begeerte wijken; Als ... hoor! - daar valt iets!' 'klink! - klinkklank!' Wat mag dat zijn? - De sleutels waren 't der twee deuren. Augustijn Of de elleboog had schuld; ten minste naar den schijn. Snel bù de Lezer, zonder zien, om ze op te rapen; Maar de open hand - dwaalt af - en vindt het Hoen! - En nu die Hand niet toe te doen; 't Gegrepen Boutje, plots gelijk een schorpioen Te laten vallen; of druiloorig aan te gapen, Als waar' het uit een knol gesneen! Het niet te proeven! - Van die reepjes òòk geen èèn - Geen twèè! tot ongemerkt het halve Hoen verdween! Hadt GIJ 't gekund? Indien gij jà zegt, ik zeg nèèn! IK had, helaas met Jaromir gegeten; Maar 't had mij ook, met hèm, tot in mijn hart gespeten. Daar zit hij nu, en schudt het diepgebogen hoofd. Zijn DINSDAGSVASTEN was den Heilig duur beloofd. Ondankbare als hij is! `Waar zal ik uitkomst vinden! Wie kan mij van mijn schuld ontbinden!' Zoo kermt hij; en te valscher smuilend loert Zijn oude Vijand, die, wat hij een toeval waande, Met schelmschen klaauw heeft uitgevoerd, En door verzoeking hem den weg tot struiklen baande! Te meerder kittelt zich die Onverlaat, die daar De Sleutels van den lessenaar Geworpen heeft, als korts de Klepels uit de wolken: De Klokkenist van Lochems Waterkolken; Wiens keelgat thans het uiterst van zijn kracht In wondren doende werking bragt, Om Jaromirs provisies op te slokken; Waartusschen, als bedeesd, het halve Hoen nog schuilt!- Het masker van een HOND is door hem aangetrokken. Dit voegt bij zijn exploot. De Pater hoort hem schrokken - En zièt hem nu! zijne oogen uitgepuild, Door 't langzaam glijden van de grof gekaauwde brokken; De haren piekregt langs den rug omhooggezet! - Zoo ziet hij hem, en springt te been! een tred Terzij'; doch onderwijl zich pogend te bezinnen Op 't kwaad latijn, dat ieder Helspook kan verwinnen. Zijn GAST, die 't argwaant, hapt eer 't hem de Ban belet, De SLEUTELS weg; is door den wand gevlogen, En staat, een mijl vandaar, aan elk gevaar onttogen. `Maar zijn die SLEUTELS min den KLEPELS Kerkengoed? En waarom dèe genaast, en dèze weggesmeten?' Zoo vraagt gij. Lucifer, gelieft gij des te weten, Kweet met de Sleutels, op hun beurt, zijn teer gemoed: Hij bragt ze weder. Die de Boekcel kwam ontsluiten, Vond ze aan den ring der deur. Daar hingen zij, VANBUITEN; En, ach, VANBINNEN, zat, tot aan de Vroege Mis, De Zondaar in 't _cachot_. Eerst meent hij nog te droomen: Alleen, uit deze Spijsben is - Zulks voelt hij al te zeer! - niets in zijn maag gekomen, Dan 't halve Hoen; en leeg is zij! En, eindlijk spreekt te luid dat SPOOR VAN HONDENSTAPPEN, Waarme de Vloer 't gebeurde aan 't nageslacht zal klappen. In werkelooze wanhoop gaat Het licht voor hem te bed; en, eer van Walburgs toren De wachter driemaals zijn getoet heeft laten hooren, Brengt hem de nacht geen goeden raad. Kwam deze traag genoeg, 't was toch niet al te spaad. Ook luistert hij daarna, met bei' zijn hangende ooren: De Rozekrans wordt straks zijn toeverlaat. Het honderdste amen sluit het honderst paternoster, Als zijn bevrijder komt - de Koster. Thans is zijn eenigst wit, dat hij, door boete doen, Den Heilig weer verzoen'. Hoe streng kastijdt hij zich, om vrij te zijn van 't prangen Des zelfverwijts! Waar trekt hij, met gebeen En litanijen, niet al te heen, En biedt zijn holgevaste wangen Te schouw, aan Sint Michiels, op doek ten toon gehangen= Aan Sint Michiels van hout en steen. Hem na te reizen zult ge intusschen niet verlangen, Gij, die dit geeuwend leest, en geeuwend lezen hoort; Ik spoed mij daarom eindwaarsts voort; Laat Jaromir zijn schuld in zak en asch berouwen, En zeg, tot slot, dit enkel woord: Zich buitens VIJANDS scheut te hou'en Is raadzaam; raadzaam ook, dat gij geen VRIEND verstoort.

Aantekening.
Jaromir Gewroken.
Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina