A.C.W. Staring

De Zwarte Vrouw

Vervolg der vertelling Lenora.

'O we mir - - - ! nu ist dir doch din schilt
mit swerten niht verhöwen: du bist ermorderot.'

Das Nibelungenlied, Stanz: 4061
   Lenoor' stond, uit haar nood gered,
Van Hermans arms ontvangen;
   Gij juichtet toe; 't gordijn viel neer;
Mijn vrienden! laat het hangen!

   Wat kwelt gij mij, met gullen dwang,
Om ook dat Lied te zingen,
   Weleer gedicht, aan d'oeverkant,
Daar 't lest haar paden gingen;

   Daar 't hutje school, op vreemden grond,
Herbergzaam haar gegeven! -
   Mijn vrienden! ach, gij eischt dat lied?
Zoo zij 't dan aangheheven!
1793.
   De avend douwde om Staavren Burg,
Als, met tragen schred, een Vrouwe
   Binnen de ijzren poorten reed,
Doodschverhuld in weduwrouwe.

   Moe van togt en zielsbezwaar,
Trad zij wanklend in den toren,
   Voor de grijze slotvoogdes;
Waar zich dus haar klagt liet hooren:

   Eedle Vrouw! of past het mij,
Op genoten gunst te roemen?
   Durft eene arme zwerveling
U, als eertijds, Moeder noemen?

   'k Vraag het gastregt in deez' vest;
Waar geen leed mijn kindscheid deerde;
   Waar me een Vorst der vonte onthief;
Een Vorstin haar naam vereerde.

   'k ben Lenoor'; maar bloei en blos
Zijn, gelijk mijn staat, geweken.
   O, de rozen van 't geluk
Wist verdriet zoo ras te bleeken!

   Moeder! ween, ja, ween, om mij!
Korts met rijken tooi beladen;
   Hermans fiere bruid en gaa;
Nu zijn weeuw, in treurgewaden!

   'k Heb den kelk van 't lot geleefd!
Tot den droesem uitgedronken;
   Als ik, over 't bloedig lijk,
In mijn jammer, heengezonken,

   Bij een laatsten wederkus,
Bij een blik mijn wensch bepaalde;
   En zijn oog geen blik meer had,
En 't gevoel mijn lippen faalde!

   Weerloos; tot de jagt gerust,
Was mijn Herman uitgetogen:
   Plotslijk kwam een schelmsch gespuis
Veldwijks heuvlen omgevlogen!

   Zweder voerde 't moordrot aan!
Ach! omringd van zijn vassallen;
   Zonder roem, als zonder strijd,
Moest de Kroon der Dappren vallen!

   Ruglings van een lans doorboord,
Liet hij toom en jagtspriet glippen,
   En mijn naam, ten jongsten groet,
Met de ziel zijn borst ontslippen.

Zweder was 't! Door eedler echt
   Van mijn hand en erf verstoken,
Berouwde 't ontmench zwart verraad!
   't Heeft te trouw zijn leed gewroken!

'k Zag weldra (geen ander licht
   Kon uit zulk een duister klimmen!) -
'k Zag den Moorder voor mijn burg;
   Krijg van rondom mij begrimmen.

   'k Zag, na tien paar dagen strijds,
't Hongerzwaerd in 't slot gedrongen;
   Rassche vlugt, of hard verdrag,
't Moedig dienstvolk afgedwongen.

   Schreijend week het van dien grond,
Dien het Lijk bleef aanbevolen;
   Diep, aan schaarsbezochten oord,
Tegen Zweders haata verscholen.

   'k Moest hen volgen! Bange stond;
Toen ik sluiks terug kwam jagen.
   Naar dat graf, met nacht bedekt,
Daar ik Herman heen zag dragen!

   Roekloos sprong ik van den zaal,
Om door 't warlig ruig te naadren,
   En eilaas! een handvol aard'
Aan zijn ruststede op te gaadren!

   En nu vlood ik! Onverzeld;
Over 't scheemrend ruim der heide,
   Zwierf mijn spoor; doch feilde niet;
Dank mijn Engel, die 't geleidde!

   Hier verstomt Lenora's klagt.
In 't geboomte aan Staavrens muren,
   Schuilt nog puinval van haar kluis;
Blijft haar naam den tijd verduren.

   Op een eiland vond zij daar
't Plekjen, door geen Hoop beschenen,
   Waar ze, in heilige eenzaamheid,
Korte dagen weg ging weenen.

   't Gras, dat, op LENORA'S POL,
Aan den krommen oever fluistert,
   Zucht nog vaak de Droeve na;
Van den wandlaars bang beluisterd.

   Dikmaal ook, bij starrenlicht,
Komt haar gees, met losse haren,
   In een slepend weduwkleed,
Hermans grafplaats ommewaren.

   Knielend gaart zij 't zand bijeen
Steeds gedachtig aan haar lijden.
   't Landvolk, spaa van 't veld gekeerd,
Zoekt de ZWARTE VROUW te mijden.
1787. 1791.
Aantekeningen