Jan Jansz. Starter (1594-1628)

La Royale

Iuffrou / als u deught / u hooge gaven /
U soet gesicht / u jeugt / u vreugt / u aerdighheyt /
t’ Vernuft dat in u heeft Natuyr begraven /
De heusheyd van u lieflijcke mee-waerdigheyt /
U leden / u zeden / u reden aenmerck /
Sie ick Naturaes wonderwerck.

My docht doen my onlangs de eer geschieden
dat gy met my gingt singende deur ’t groene wout /
Dat ick alt het geboomt u eer sagh bieden /
En duycken nedrig met haer tackjes nat bedouwt:
Duyckt boomtjes / duyckt (docht ick) altemael /
Nae ’t singen van dese Nachtegael.

Mijn geest was in geneught gantsch opgetogen /
Mijn ziel / mijn zinnen vlogen vrolijck uyt en in /
Na dat ghy uwe stemme woud verhoogen /
Of dalen / of drayen / of neuryen naer u soete sin:
Ick dachte / wat is een Konings pracht
By sulcken wellust waerd geacht?

Och dat my het geluck so wou verblyen
Dat ick altijd genieten mocht u by-zins vreught!
Ick sou Keyser noch Prins sijn Rijck benyen /
Maer achten my geluckiger door mijn geneught
Als Keyser / als Koning / Prins of Heer
Ick kies ’t genoegen voor die eer.

Maer / laes schoone / het scheyden is voor de deur /
Ghy teckt van hier / gy voerd met u u vrolijc’heyd
En laet my u af-zijn met rouw betreuren;
Maer of gy schoon Goddin lichaemlick van my scheyd
U beeld ghy in mijn harte laet /
Mijn ghonste volght u waer ghy gaet.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 08-sep-96


Coster-pagina