Statenberijming

Psalm XXIII

De God des heils wil mij ten herder wezen;
'k Heb geen gebrek, 'k heb geen gevaar te vreezen.
Hij zal mij zacht in liefelijke weiden,
Aan d'oevers van zeer stille waatren leiden.
Hij sterkt mijn ziel, rigt, om zijn' naam, mijn treden
In 't effen spoor van zijn geregtigheden.
Ik vrees niet, neen, schoon ik door duist're dalen,
In doodsgevaar, bekommerd om moest dwalen;
Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden:
Uw stok en staf zal mij altoos behoeden;
GIj troost mijn ziel', en rigt, in mededoogen,
De tafel aan, voor mijner haatren oogen.
Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap groeijen,
En van uw heil mijn beker overvloeijen.
Het zalig goed, mij door uw gunst gegeven,
Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven;
Zoo dat ik in het heilig huis des Heeren,
Een lange reeks van dagen, blijv' verkeeren.
3.Gansch anders is 't met hem, die 't kwaad bemint,
Hij is als kaf, dat wegstuift voor den wind;
Geen zondaar zal 't gewis verderf ontkomen,
Als in 't gerigt door God wordt wraak genomen;
Hij, die van deugd en godsvrucht is ontaard,
Zal niet bestaan, daar 't vrome vergaârt.
4.De HEER toch slaat der menschen wegen gâ,
En wendt alom het oog van zijn genâ
Op zulken, die, opregt en rein van zeden,
Met vasten gang het pad der deugd betreden;
God kent hunn' weg, die eeuwig zal bestaan,
Maar 't heilloos spoor der boozen zal vergaan.