Mr. J. Versfelt

LOGOGRIEPHEN ENZ.
 
 

        BOEKENKAST
        1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

    Eén, wanneer men mij beschouwt,
Tel ik toch verscheiden deelen,
En die deelen, zoo veel deelen
    Dat, hoe veel ge ook van mij houdt,
Ik u duivelsch zou vervelen
    Als gij ze allen tellen woudt.
 

        1. 8. 6.

    Een schrik voor vorst en volk.
    In min verlichte dagen,
    Bragt ik de wereld op de been;
Die met een leger op kwam dagen
    Versloeg ik door mijn naam alléén;
Die tijden zijn niet meer en met diezelfde magt
    Verschijn ik, - maar helaas! - men lacht.
 

        4. 2. 4.

'k Ben altijd aan mij zelv' gelijk,
    Hoe men mij ook beschouw.
(N.B. Kok blijft kok, hetzij men van voren of van achteren beginn' te spellen.)
Bij rijken hen ik dikwijls man,
    Bij armen meestal vrouw.
Maar man of vrouw - mijn werk is één
    En ieder mint mij zeer.
't Zij ik als hij dat werk verrigt
    Of vrouw'lijk figureer.
 

        4. 3. 3. 9.

Een edel hart in 't ruige kleed
    En menigeen ten troost,
Een vriend die nooit zijn vriend vergeet,
    Een speelnoot van zijn kroost.
Zie daar mijn aard. 'k Heb steeds in vreê
    Dien stillen post bekleed;
Eens slechts, werd door gansch Nederland
    Mijn naam een oproerkreet.
 

        I0.

Vertrouw mij vrij, misken mij niet,
    'k Was reeds uw vadren vrind,
Schoon gij m' in andre kleeren ziet (t of thee),
'k Had bij de oud'ren reeds crediet,
    'k Verwacht ze ook van 't kind.
Dus, schenk mij steeds uw aller gunst
    Schoon men somtijds mij hoont,
Bewijs dat gij het goede mint
    Hoe het zich ook vertoont.
Uw keus berouwt u zeker niet,
    Want, hoewel kort van stof,
Ben ik door d' eersten kamerheer
    Gepresenteerd aan 't hof.
 

        1. 2. 3. 4.

    Los is al mijn ingewand
En toch dikwijls ook gebonden,
    't Wordt door dieren soms verteerd,
Meer nog door den mensch verslonden.
 

        SCHAVOT
        1 2 3 4 5 6 7

'k Steek boven elke veldbloem uit
    En schoon men mij niet vliedt,
Rust men nooit in mijn schaduw uit,
    Zoekt men mijn lommer niet.
De roos is minder rood dan ik,
    Maar 'k ben beroofd van geur,
'k Heb niet altijd denzelfden vorm,
    Maar meest dezelfde kleur.
 

        1. 2. 3. 6. 7.

Wie kent, wie mint, wie zoekt hem niet?
    Wie, die het niet ontvlood?
Hij leeft, dien hij het harte trof,
    Wien het daar trof is dood.
Hij leeft die treffend leven doet,
    Dat treffènd doodt, is dood.
 

        5. 4. 7.
 
   Vat gij 't? zegt gij tot elkaar,
'k Heb vergeefs mij 't hoofd gebroken,
    Maar nu nog dit laatste woord!
    Nu, gij hebt het reeds gehoord
    En zeer zeker uitgesproken.
 

        LUIT
        1 2 3 4

Als 1, 2, 3 en 4 zich zamen laten hooren,
Dan kunnen ze iedereen ook mijn geheel bekooren,
    En die 1, 2,3, 4 het kunstigste doet slaan,
    Dien biedt ik 4, 2, 3 en 1 eerbiedig aan,
    Maar als men 1, 2, 3 en 4 niet wel hanteert,
    Of een 2,3 en 4 te 1, 2, 3 trakteert,
    Dan is mijn 1, 2, 3 en 4 een doode steen,
    En die dit onderstaat dien noem ik 2,3, een.
 

        BRI EVENBUS
        1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

    Geheim - zie daar mijn pligt,
    Gemak - zie daar mijn doel.
Om beiden zie ik mij door oud en jong gebruiken,
De wijsgeer en de knaap, en grootmama en nicht,
    Ontlasten bij mij hun gevoel
En kunnen mijnen dienst maar moeijelijk ontduiken.

    Ach, mogt ik vrienden voor uw oog,
Mijn inhoud nu en dan ontvouwen,
    't Zou kunst zijn om u goed te houen,
Als ik dien mengelmoes bewoog.

    En toch gij zoudt met weinig kunst
Of oefening al ligt ontdekken,
    Wat ik ontving van maagden gunst,
Wat de ouderdom mij deed verstrekken.
 

Oorspronkelijk verschenen in Gedichten. Z.p., 1876.