Albert Verwey

Zijn Aanschijn

Gij draagt de trekken niet van een die stierf,
Draagt niemands trekken. U te zien is meer
Dan eenig wezen zien dat vorm verwierf;

Schoon zonder u geen vorm. Het eindloos heer
Van levende gedaanten woelt en klaart
In u, gaat van u uit, keert tot u weer.

Daarom toont nergens de afgebakende aard
Een beeld van u. Alleen de zee gelijkt
Ten deele u, waar veel in en over vaart

En oorsprong vindt en spieglend zich bekijkt
En meê beweegt. Ook is in haar de golf
Geen dwalende eenling: helder of beslijkt,

Of schuimbekroesemd felle waterwolf,
Leeft hij met de andren, is nooit los van hen;
Hij heeft zijn voorman dien hij al bedolf,

Zijn achterman die ook om hem zijn ren
Niet zal weerhouden. Allen samen zijn
In wisselbeurt en -leven wat ik ken

Als 't zeegelaat, nu rozig door den schijn
Van daagraad of zonsondergang, dan groen
Van diepte of zwart van wolken, kristallijn

Somtijds boven blank zand, gekleurd plantsoen
Van wieren of koraal, en vreemd gediert.
Wrakken zijn daar die schippers bleeken doen,

En iedre boot die drijft, vogel die zwiert
Spiegelt erin, en steden aan den kant.
Zoo is het zeegelaat: mijn denken stiert

Erover en ziet u: geen wezen kan 't
Uwe zoo beelden, maar nog zijt gij meer:
Gelaat, dat daaglijks staart en nachtlijks brandt,

Soms zoo vreeswekkend na, dan beangstend veer.


Bron: Albert Verwey, Het Zichtbaar Geheim, Amsterdam (W. Versluys) 1915, Deel I: Het Eigen Rijk, onderdeel: Nabijheid, pagina 85-86.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster