Albert Verwey

Ik heb mijn hart ú tot een huis gewijd

Ik heb mijn hart ú tot een huis gewijd,
En midden in het binnenst heiligdom,
Waar de outerkaars in 't donker gloeit, verbeid
Ik u, mijn lief, mijn zoet sieraad alom!

Ik sloeg mijn ziel dit zoete donker om,
Alleen om ú te ontmoeten, die me altijd
Belooft te komen, in 't geheim, na stom
Eerbiedig beiden eenen kleinen tijd.

O kom, mijn lief, die nog zoo verre staat...
'k Verwacht in 't donker ginds uw licht gelaat...
Ik-zelf ben een visioen van nacht en gloed!

O kom, mijn zoete Gloed, mijn sombre Nacht!
't Mysterie is ondoofbaar, - doch ik wacht
Met beving, daar ik eenmaal sterven moet.


Bron: Nederlandse letterkunde : De tachtigers / samenstelling Rob van Riet. - Utrecht, Antwerpen: Het Spectrum, 1986. Bundel: Van de liefde die vriendschap heet. - Amsterdam: 1885.
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster