Albert Verwey

De grote hond en de kleine kat

Een grote hond en een kleine kat,
Die zaten op de kamermat;
En de hond, die zei: Zeg, scheelt jou wat?
Scheer je weg!

En de kat, die zei: Jij bent een hond,
En ik een kat, niet zonder grond;
Hou jij dus nou jouw grote mond:
Scheer je weg!

Scheer je weg: waf, waf! Scheer je weg: sis, sis ­
Scheer je weg: die is raak! Scheer je weg: die 's nie mis!
Waf waf! sis sis! woef woef! mauw mauw!
En een houw en een beet en een blaf en een grauw:
En de grote hond en de kleine kat,
Die vlogen van de kamermat,
En de keuken in: Zeg, scheelt jullie wat?

En hij trapte op een teen,
En zij beet in een been
Van de meid, die riep: ga je heen! O mijn been!
Scheer je weg!

En de grote hond en de kleine kat,
Die zaten weer samen op de kamermat,
En ze lachten en praatten: 'och hemeltje, wat
Trapte ik op haar teen!'
'En beet ik in haar been!'
''t Is gek, maar zo'n mens krijgt ook altijd wat!'

1889