Albert Verwey

Ik weet, dat geen die later dit boek leest

Ik weet, dat geen die later dit boek leest,
't Begrijpt, - en wie de wereld gadeslaat,
Weet dat zij slecht noemt wat zij niet verstaat,
En goed het niet-verstaan van eigen geest.

Maar ik, die dit boek schiep, ben niet geweest
Schepper van 't niet-verstane, in andren kwaad,
Maar van het wél-verstane - en, naar hún raad,
Goede in mij zelf en ú, u allermeest.

En ik begeer der menschen oordeel niet
Op 't slechtgeteekend prentje, dat zij met
Mijn naam eronder hangen in hun ziel

En aanzien voor mijn welgeslaagd portret:
Dat hebt gij enkel die mijzelven ziet
En weet wanneer 'k u wel, wen niet, beviel.


Bron: Nederlandse letterkunde : De tachtigers / samenstelling Rob van Riet. - Utrecht, Antwerpen: Het Spectrum, 1986. Bundel: Van de liefde die vriendschap heet. - Amsterdam: 1885.
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster