Albert  VERWEY

Spaansche Reis

Aan Gerlof Van Vloten

OPDRACHT.

Vriend die met vriendlijken geest en beschroomde 
   Vriendschap mij meêtroonde  in het moorsche land, -- 
   Mij die blijde moderniteit, en brand 
Van daagschheid  daagde die ik daaglijks droomde 
U die doom van 't vergane en moorsche doomde  
   Of gij poëet waart, die ge in fijnen band 
Van zin en geest vingt, tot er ziel door stroomde, 
   Stell'ger als  mijne, naar poëten-trant 
Eeuwiglijk-vaag : -- o wat stoomt hier ons beiden 
't Leven in hart en oogen, onze beide 
   Zielen  vormen  het  maar naar eigen beeld;-- 
En wat zullen in onze eigene landen 
Onze beelden wonderlijk gaan belanden, 
          Blozende in 't grijze daar de zon door speelt.

Malaga, 29 September '93  


Valencia 

I

De bloemen van Valencia : onder tenten 
Ranken ze voor de witte huizenrijen, 
Rankende  oprankende alsof  handen glijen, 
Armen vlijen, de bloesems, vrijen, blijen, 
Eén bloem'ge lijst rondom het donkre en jente en 
Wiegende meisje op slanke heup; en zijen 
Lachen de zwarte  in diamanten brand en  
Kinderlijke oogen, en de maagdehanden,  
Klein en volrond gebootst, hebben waranden 
Van bloemen éene ontpukt voor mij, vreemdlanden. 

II

  En met een anjelier in 't knoopsgat, -- geuren 
Van weeldrer bloemen walmden in mijn haren, 
Maar deze liefst me omdat nog liever waren 
Handen in 't vaderland die deden beuren 
Eéne mij daar toen 'k ging, -- ben ik geschreden 
Trappen op van de moorsche Longa : gleden 
Palmen daar niet omhoog : steenen pilaren 
Gekorven stam, en rankwaaierde blaren, 
Vervlochten tot zij boven bogen waren;  
En daalden arabesken uit  die hoogte 
Tot muren niet, figurend tot geboogde 
Lijsten om ramen, die mij uitzicht gaven 
Op Moorentuin daar frissche stralen laven 
Donkere oranjen en de breede agaven. 

III

En voor 't café daar marmeren tabletten 
Fonklen van glazen zilverige orgeaden 
Die sierlijk leppen  de Valenciaden, 
Zomersch getooid, -- komt, met gitaar aan 
't Lint om den hals, in halfgesloten oogen 
Schemer van rijker eeuw  en kostbrer jaren, 
Tokk'lend als toen, -- en om hem heen vergaren 
Refreinende monden, vrool'ken die letten 
Op elk slot, het verliefd-sentimenteele-- 
Hoor 't teer refrein! -- of 't klucht'ge, happende  keelen 
Klak-klakken 't hem na: -- dat straatkind, de romancen- 
Zanger, m ij n vriend, want ik ook draag de dansen 
En maten van verloren vrool'ke tijden 
Door 't stof van de steden die lachen blijde. 
 

IV

O die meloenen etend onder palmen 
   Uit éen vrucht eet, drinkt wascht uw hande' erin.  
   En d‡n verstaat de gratie en kindren-zin, 
En in 't gebaar het koninklijke talmen: -- 

Hoe ziet ge op mij die 't hart vol van de galmen 
   Van 't klankbord dat het Leven heet, midde'in 
   Uw blijheid en uw hoogheid stom, bemin 
Met ooge' alleen , die stil staan als twee schalmen? 

Weet dat ik in mijn land, waar kleinen haten, 
   Heel lang zat krom over mijn leed gebogen : 
      Eerst in uw zon groei ik weet recht en wil 

Nu eerst mijn trotsche Zelf weer groeien laten : -- 
   Dan, u door trots verwant, zal ik mijn oogen 
      Zachten en will'gen-in  uw heldre gril. 
 

Alicante

I
AANKOMST.

Gezonde paarden liepen in 't geleisel -- 
De wagen rolde zacht achter hen aan -- 
De maan maakte al 't stoffige huizen-grijzel 
Wit en er spookte meenge sombre laan. 
En oleanders bloeiden, stil, gebogen 
Tusschen het groen van veel-sprietige palmen, 
En lachen klonk waar 't fonkelde in den kalmen 
Maannacht van glas en zilver en blijde oogen 
Voor 't weidsch café, -- en door zuil'ge alleën 
Van palmen die de stroeve kronen wuifden, 
Domp-deinde, -- en 't zwart  spon en zeilen luifden, -- 
Mastbosch en vloot, waarvan de lichten gleën 
En deun ter kalme Mediterraneé. 

Toen, van 't balkon, zag ik  dien arm gestoken 
Der palmenstad, die dragend steenen bogen, 
De zee omvat die met haar leit gedoken 
Onder 't gebergt van rots en blauwen hoogen.  

II
CAFÉ.

De koele doorgang voor 't café is blijde 
Met glazen, waterkraffen, en in kleuren 
De carafons, die zomermenschen bij den 
Bovensten  hals optillen en de geuren 
Slurpen die met den scheut in 't water glijden. 
De wind van zee doet lat-en-zon-gordijnen, -- 
Die, half-ontrold, in  ongelijke lijnen 
Kaderen  die zee zelf, dier blauw aanglijden 
Boegen opdraagt en brokken mast en dansend 
Want en gul licht op witte zeilen glanzend, -- 
Het indolente van haar deining krijgen. 
En palmen vullen, -- op geschubde zuilen 
En dadelzware gele trossen, tuilen 
Van groen-zwaardig gevéert, zoo dat de verte, 
Zonwit en blauw, vol wordt van haar ondadig 
Wiegelen daar omhoog, -- al 't verdre ruime ; 
En wuiven schaduw als met haar'ge pluimen 
Op kar en muil aanrinklend overdadig. 

III
KUSTVAART.

Om van een palmenkust in zee te varen, 
En zien  voor 't laatst éen palm met slank gewiegel 
Voor d'avondhemel staan, terwijl de spiegel 
Van 't water 't rimplend  koeltjen op doet klaren, -- 
Tot, als de kim  rozen schemer verhulde, 
Bollere wind 't zeil klapperen deed en vulde, 
En 'k zeilde onder de gouden konstellatie 
Van uw geurigen nacht, en dan, mijn Spanje, 
Als de ochtend daagt te naadren in de statie 
Van boeg en baan,  stad die de zon verguldde, 
Veel volks gewuif en aanzwelling van galmen, -- 
Wenschte ik, -- als Ruyter, stoerst kind van mijn natie, 
Toen, staande op hooge en  beeldhouwde kampanje, 
Hij kwam en zag uw steden, bergen, palmen. 

Aguilas

De rots in zee, daar 't slot op 't voorplein 't grauw 
   Verweerd blazoen van Christenkoning draagt,  
Beklimt bruine en barvoet'ge knaap, en nauw 
   Ziet hij 't me ontcijfren, of  roept ongevraagd : 

   El Moro! -- en daar venstrig puin steil schraagt 
Brokklige rots uit zee die flonkrend blauw 
   Zwelt in de vert' : El Moro! -- Tot de laagt 
't Luik in 't terras toont en met recht en nauw 

Metselgewelf, trap  in de rots.  Wij daar 
   Staande aan het water,  zag mijn knaap alweer 
El Moro, waar zijn roofschip landde, en schaar 

   Christenslaven ontscheepte? of zag hij 'm,  heer 
Van 't omliggende land, gewend daarnaar, 
   Ziende op zijn slaven tusschen 't maïs neer? 
 
 

Malaga

Moderne tijd, die op donkre ruïnen 
   Van kracht en trots  richtte uw gestuukte steden, 
   Van glas en staal,  broos, en waanwijs besneden 
Naar 't strak geslacht dat  lacht met u te dienen : -- 

Van valsch gesteente fonklen uw vitrinen, 
   Huisraad als 't kost, is roof van 't rijk verleden, 
   En 't werk dat vaard'ge en kunst'ge handen deden, 
Doen uw domme en machinale machinen. 

Maar rond u, dansende om oude fonteinen, 
   Stort door bedding die droogde 't zelfde water , 
      Van berg naar zee, van zee naar berg gekomen, -- 

      En voor zijn stroom zie 'k uw barakken stroomen, 
   Klein volk, als 't groote eens, vluchtend met geschater -- 
't Leven is  eén, al heeft het andre schijnen. 
 

Granada

I
VIZIOEN

Als 't Hart van Holland open bloeien zal 
                                        In 't open hart der bloedende Granaat,  
                                        Zal Vrede en Vreugde de bloedroode Daad 
                Hoog overbloeien die, drie eeuwen, àl 
                Holland doorschrijnde : duistre Alva zal 
                                                        Stom staan, niet kwaad ; blinkende Parma staat 
                                                        Vorstlijk in reverentie; in 't rond gelaat 
                                Golijkt van Mondragon; en 't nijgt van tal 
                                Blijde gezichten naar den Prins  die zwijgt, 
                                                                Maurits die Daad, Freêrik d'Oranjevreê , 
                                                                                                        En, Vorst van Trots, Burger van Deugd,  m ij n  Vriend 
                                                                                                        Barnevelt, die den Staat zoo statig dient,  
                                                                                Dat d'eenge Koning die als koning dêe, 
                                        Navarre, 'em  't hooge voorhoofd tegennijgt. 

II
STIERESPEL.

De lucht was grijs en trok in 't blauwe : ronde 
     Volten opklommen van moltonnen grijzen, 
 Parelend : jonge stier, verbaasd  den blonden 
    Plooi-nek gestrekt, in korten sprong neemt hij zijn 
     Loop. -- Bonk!  't opgelapte rosje , omkantlend, bij zijn 
  Geel-leeren  heer rolt om, toont roode wonden : -- 
        Bonk! botte lans  weert hem. En vlindrend rijzen 
     Pages als in 't ballet, trippen den grond en 
      Tergen met doeken rood. -- Trompetten : -- tra! -- de 
           Dollere dans draait:  reikende  achter hoornen 
                 Punten ze omfranjed-kleurge kermispijlen -- 
              Hoera! -- de espade : en stilstaand voor het toornen 
                   Diens moedeloozen, plant die zonder ijlen 
            De vlijm en 't kruis, -- en dreuning splijt Granade. 

III
ALHAMBRA

Loopen arkaden lichter langs een vijver? 
                                Stroomt water klaarder over marmren zalen? 
        Zag  m'ooit     door  frisscher groen laantjes met  stijver 
                                        En  kiescher sier in arabesken dwalen ? 
        Hebben ooit handen met een preutscher ijver 
                                                En wisser kunst, wiskunst, weten vertalen 
                In  stuc van lijnen, -- en ooit vromer schrijver 
                                                                        Wijsheid van Koran met gedeegner halen, -- 
                                                Zoodat 't Heelal der Dingen is begrepen 
                                                                                        In spel van lijnen, en in spreuken, samen 
                                                                                                                                In kleurge wanden, paarlend bij  het dagen, 
                                                                        De Eenheid van 't Al verheerlijkend, geslepen 
                                                                Kant, filigraankunst, teerste en luchtste ramen- 
                                                                                                Omlijsting, 't Eeuwge dat geen hand kan vagen. 

IV
DROOMSTAD.

De straten van Granada waar in 't donker 
                                        Gitaren gonzen en van 't lang gefluister 
                                                Van minnaars aan de trali‘n de duister 
Nacht warm wordt, -- gaan met graden naar 't geflonker 
        Van 't sterrebeeld. En op den top wat wonk er 
                                        Roode lantaarn van het Alhambra? ruischte er 
                                                Weening  uit roode muren? of wel,  huisde er  
                Moorenkoning nog eens en wat zoo klonk er, 
                        Was  't het gespeel van alle zijn fonteinen -- 
                                                Droppengklater in de zilvren zalen -- 
                                                        Vrouwengepraat van die in kanten sjalen 
                                                                Gehulde en parelen? -- De starren straalden 
                                                                Klaarder dan ooit, ook kalmer, toen ik daalde 
                                        Naar de stad lêeg en de verlaten  pleinen. 
 

Tanger

I
AVOND.

Abdul Salaam de Hadji holde hijgend, 
                                        Zijn handen zwaar met onze reisbagage, 
                                                Door meen'ge  smalle en kronklige passage, 
                        Langs soms een Moor; -- en wij die'm volgden, zwijgend 
                                Verwonderd, vonden ons op eenmaal stijgend 
                                                                Hobblige straat in zon langs, door een rage 
                                                                        Van kraampjes, en steeds  stijgende etalage 
                                                        Van tulbandhoofden, burnoesschouders, nijgend 
                                                        Op, neer, als golven,  naar 't lijf,  gaande op treden 
                                                                                                Van straat, schokte, op en neer  keilde in de wijde 
                                                                                                        Slobbrende burnoes; --  maar wat zweeg ik blijde, 
                                                                                Toen wij, de poort door,  't marktplein opgetreden, 
                                                                                                                Op heuvellijn voor avondrood aan 't grazen, 
                                                                                                                        De stille muilen zagen met verbazen. 

II
DERWISCHEN.

Het is een dans van vanen -- 't schrille pijpen 
Tergt -- bom bom  -- sprong sprong  -- looden  voeten slijpen 
Straat -- zang  lolt  --  bloed sproeit smoel  --  zwart-dropplend zijpen 
Straaltjes op  burnoes  't beeft diens handen grijpen 
Bijltjes  rinklend  ting  ting, die schedel strijpen 
Met klopje en snee.  
     Een heil'ge: -- zie omknijpen  
zijn knuist knods  --  heft hem  hoog --  laat laag neerbonken 
Op schêel hem  --  wêer! - die splijt: -- door berstjes  't rijpe  
Bloed rilt -- Allah! Allah! -- Krampend omnijpen  
Vingren 't log lood van wie pijn-,  wellust-dronken, 
Worstlend met wijzren, 't kust, in knie gezonken 
Krimpt er omheen; - maar opspringt, duizlend, draaiend 
Boven 't hoofd martlaarsbijltje, 't stuk hoofd aaiend 
Met sneden meer, voordansend; - en weer luider 
Schrilt het gepijp, dolt dans, bonkt wild de bui der 
Wagglende beenen, en valt neer bij wijlen 
Lijk dat als lijk nog danste voor een wijle. 

Gibraltar

Rijden de misses door de straat op fiere 
                        Genetten en met hagelwitte fronten -- 
                        Bewegen roode Britten zich langs bonten 
Puien-rij, druk van borden en papiere 
Reclames, daar elk huis een store is, ie're 
                        Verdieping 'n office, daar het van den pronten 
                        Soldaatstap klankt, en 't wachtwoord klinkt als ronde 
        De wacht lost, en een poort knarst op scharniere -- 
                Daar 't zuidlijk lui'ren met éen slag geweken 
                                        Is voor noordlijke kracht en  drokte en orde, 
                                                                        En de stad dringt, een zon-blauwd Charing-Cross? -- 
                        Vraag 't als 't kanonscholt rolt en neergestreken 
                                                Galm alle volte een kalme vest doet worden -- 
                                                                        Dit is Gibraltar, blaakrende op zijn rots. 

Cadiz

Staat haar krijtwitte en sierlijke façade 
                                Niet gastvrij op het water? zijn de kleuren 
                                Die 't wit en 't groen van haar balcons verfleuren, 
        Is 't pronktapijt dat afhangt van de estrade 
                Die om den raadhuistoren loopt -- in fade 
                                                        Goude-appelrand borduursel op  azuren 
                                                                Ruit, geel en bruin, Leeuw en Kasteel, de keur en 
                                        Roem van Spaansche standaarden, -- een parade 
                                                Van stad in zon voor éen,  een féest-dag, gauw  te 
                                                                                        Gaan met dien dag? -- Wie aan kwam zeilen over 
                                                                                                                        De blauwe zee en aanstonds zal verlaten 
                                                                Dit Cadiz, weet  het niet, maar zal de flauwte 
                                                                                                                Van  verre erinn'ring  vrool'ken met getoover 
                                                                                                                                                Van zulk gevlag en vaandling  op de straten. 

Sevilla

I

Brand gas in 't zaaltje, geef voor weinig centen 
                        Stoeltjes en bier, laat het toneel verbeelden 
                        Pleintjen of woonhuis, straatje of herberg, speel den 
Daaglijkschen doen van 't volk daarin, fragmenten 
Van kleurge klucht, warme' ernst, -- vang op den jenten 
                                Dans van de straat, deunen die nooit verveelden 
                                't Zorgeloos oor, -- laat dan voor 't laatst de weelden 
                Van landsdracht en  's volks kleurige gewenten 
                Staan op 't theater,  nu dat ze in de straten 
                                                Schuilgaan in  nieuwerwetsch  kostuum  en  negen- 
                                Tiendeeuwsche  egaalheid  en fatsoenlijk praten -- 
                                                        Dan zal 't toneel een lachen en een zegen  
                                        Voor 't volk zijn dat  in  blij kortstondig wanen 
                                        Zichzelf zal zien als hier de Sevillanen. 
 

II
MURILLO'S ANTONIO.

De cel is zwart daar uit klooster-arkaden 
                                        Kalm licht geknielde Antonio beschijnt, 
                                        Maar smalle schou'ers en bleek hoofd afgepijnd 
                        Van  waken zouden, schoon die oogen  baden, 
                                                                Zwart zijn, zo niet van 't zoete Jezus-kijnd 
                        De  rozen voetjes licht  gewolk betraden, 
                        Daar groote in reiken, kinderenglen baden 
                                                                Erin, en 't straalt  z ij n  zilverig  omlijnd 
                                                Voorhoofd, en vingren om in smeekgevouw 
                                                                                Zoodat er stijgt éen blijdschap  den heldonkren 
                                                Vloer uit, en goud gewolk uit hemelblauw, 
                                                                                        Zoekende elkaar in roze'en paarlen flonkren, 
                                                                In 't kinderlijfjes transparante branden, 
                                                                En 't menschenhoofd  met opgeheven handen. 

Cordoba

I
MOSKEE.

In de moskee daar marmeren en porfieren 
                        Pilaren lanen zijn, en lanen bogen, 
                        Die bogen dragen, zoodat starende oogen 
        Licht zien van ver en licht vanboven zwieren, 
        Midde' in dat zuilen-veld, daar Arabieren 
                        Bogen naar 't Oosten, schuilt, schijnloos, omtogen 
                        Van muren, kathedraal, en galmt door 't hooge 
        Koor  zang van wie hun god met wierook vieren. 
        En wie  't geluid volgend daar komt, verwondert 
                                        Zich dat zóo trotsche kerk in moorschen tempel 
        Verloren staat, een klein en afgezonderd 
                                        Huifje in een steenen woud, - maar op den drempel 
        Van 't koor voelt hij dat zóo 't spaansch-christlijk heden 
        Verloren leeft in 't woud van 't moorsch verleden. 

II
OUDE STAD.

De maan schijnt in de diepe stegen, door de  
                                        Poortjes op pleintjes waar als op portalen 
                                        Donkerder trap op mondt, langs hooge tralen 
        Voor een breed raam, en donkert nog de boorde 
        Van een diep venster. Wie zijn voetstap hoorde 
                                                Weerklinken en zijn schim in manestralen 
                                                Zag glijden moest wel wanen dat zijn dwalen 
                                Was door de gangen van  oud klooster, voor de  
                                Stralen van maan en starren open, zonder 
                                                                Bedaking, en van menschestappen eenzaam -- 
                                                En droomend voortgaand leek het hem groot wonder, 
                                                                                Als hij licht zag voor venster, en gemeenzaam 
                                                                Gelach en praat hoorde, en zijn stap versnelde 
                                                                Hij en zag om of hem geen stap verzelde. 

Toledo

De Taag sproeit zilver : de afgronddiepe koof 
                                Bewaakt vanhoog de klare en staatge maan -- 
                                En zwarte en glinstrige bergwanden staan 
        Stakklig en steil, en  uit hen als een roof- 
        Stad rijst Toledo.  't Schuim brult d'echo doof 
                                        Om  molenhuisjes in de diepte -- er gaan 
                                        Glimmingen langs hun daakjes -- roerge baan 
                Vaal water streept smalle en lichtgele schoof 
                Lamplicht uit raampje. En roits met rots vereent 
                                                Brug daar  de mensch vloer voor  uit  rots sneed, boog 
                                                                                Bouwde als een kerk.  Ik, daarop staand, vernam 
                                                Nachtstilte en stroomdreun, zilvren nacht omhoog, 
                        Zwarte in de diepte, en soms, 't scherp oor geleend, 
                                                                                Murmlen dat van de stad daarachter kwam. 

I
PUERTA DEL SOL.

Puerta del Sol, waarin de zon van boven 
                                Blaakt en een stralenkrans van straten spreiden, 
                                        Wat draait en draaft en t blinkt het om uw wijden 
        Vijver en zijn fontein, in de open  hoven 
        Van elk verguld cafŽ, en voorgeschoven 
                                        Trottoir-vloer ! Hoe  zwart lak en spangen  rijden-- 
                                                N‡ 't glanzende gespan, en 't kleurge zijden 
                        Hoofddoek-gewemel in uw heeten oven 
                                Branden doen Madrile–as ! Hoe het venten 
                                                        Tiert van uw bladen, de uniformen  rooden,  
                                                                't Gesprek verfiert  nu sprake is van een dooden 
                                                        Gen'raal en 't ruzietje met Marokkanen 
                                                        Blaakt tot een krijg in 't brein dier Kastiljanen, 
                                Dronken van zon, veel koffie, weinig centen. 

II
MANZANARES.

Bleekblauwe herfst doet  tusschen  gele boomen 
                                        Het witte waschgoed op de lijnen blauwen, 
                                        Daar Manzanares' golfjes zich vergauwen 
                In breeder bedding smal gegeul en  stroomen 
                Luider nu regen viel. Hellende zoomen 
                                        Heuvlen den stroom, voorgrond bebouwd, en flauwen 
                                        Blauw aan de kim; -- en op haar neder schouwen 
                        Landweg en dorpig stadseind.  Vroolijk komen 
                        En gaan  voerlui en boeren met beladen  
                                                Ezels, zweepklappende, op een sukkeldrafje, 
                                                                                        Of staan voor  'n herberg  met luidruchtig  joelen: - 
                                Dit is 't eind Madrid... Ik, langs zijn slijkge paden, 
                                                                Ga me in dit  vriendlijk, vroolijk achterafje 
                                                                                        Weer de oude jeugd en de oude blijdschap voelen.