Albert Verwey

De Uitredding

Zult gij niet altijd komen
Als ik u minst verwacht?
Beminde van mijn droomen,
Zon in mijn nacht!

Ik heb mij neergeworpen
In slijk op 't lichtloos pad,
Bloedge vampyren slorpen
Zich aan mij zat.

Mijn mond vol bittre vruchten,
Mijn hart leeg als een hel,
De lucht zwaar van de zuchten
Die 'k niet meer tel.

Tot, zie, een schijn zich kondigt,
Spokig geheester door
Dat als een ziel die zondigt
Zijn loof verloor.

Een schijn, zie, door die naaktheid
Snelt snel nabij me en slaat
-- O schaam-doende geraaktheid --
Mij in 't gelaat.

Waar red, waar berg ik 't aanschijn,
Graaf me in den morsgen grond!
Droeg ooit een mensch zijn aanzijn
In 't licht, zóó wond?

Maar als met handen neemt gij
Mijn hand van voor mijn oog,
Als met uw adem zeemt gij
Mijn wangen droog.

En als een kind geheven
Op armen, zie ik nu
Alleen uw oogen leven,
Uw lippen, u!


Bron: Albert Verwey, Het Zichtbaar Geheim, Amsterdam (W. Versluys) 1915, Deel I: Het Eigen Rijk, onderdeel: Nabijheid, pagina 83-84.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster