Albert Verwey

Aan het venster te Ulm

Ik zat aan 't venster waar de Donau vloot
En op mij aankwam aan mijn rechterhand
En onder mij verdween. De donkre rand
Van den en loofhout die hem schuilplaats bood
Scheidde mijn berg en voorgrond van de schoot
Van 't volle en tintenrijke en golvend land:
Akkers, veld, dorpen met geboomte omplant;
En kim blauwde achter kim, die 'k diep genoot.

Toen kwam een nevel en die pracht verdween.
Alleen het blinken van de rechte stroom,
En onder me als een wal die donkre zoom,
En een lijngolving hier, en ginder een,
Waar ik het land uit raadde. Tot de dag
Zonk, nadat ik nog eacute;éns een einder zag.


Bron: De muze en Europa / Samengesteld door Garmt Stuiveling. - Amsterdam: VBBB/CPNB, 1963
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster