Albert Verwey

Ik walg nu van die dagen vol van zon

Ik walg nu van die dagen vol van zon,
Van die zon zelf, die niet wil ondergaan;
Wanneer het nacht was zou ik naast hem staan
En zeggen: Vriend, 't was waar, eerst nu begon

Mij 't leven, àl wat ik eertijds verzon
Was logen, wat ik zei van zon was waan,

En van genot en liefde, - maar, welaan,
Vergeef mij dat ik zóo dwaas dwalen kon.

Dan zou ons zijn een zoet verkeer van leed,
Zeer innig, als van zielen, nu ontdaan
Van trots en ijdelheid en klein belang; -

En elk van ons zou 't zijn of naast hem schreed
Zijn eigen ziel, op 't eind geheel verstaan,
Naakt en een glorie, van éenzelfden rang.


Bron: Nederlandse letterkunde : De tachtigers / samenstelling Rob van Riet. - Utrecht, Antwerpen: Het Spectrum, 1986. Bundel: Van de liefde die vriendschap heet. - Amsterdam: 1885.
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster